Onbewust samenwonen

26.1.020
Normen: voortvarendheid, goede informatieverstrekking

Als een vrouw haar nieuwe woning betrekt, komt ze erachter dat er iemand op haar nieuwe adres staat ingeschreven die er helemaal niet woont. Iemand die van de vorige bewoner het adres mocht gebruiken als briefadres. Dat is vervelend. Als de vrouw de gemeente deze situatie uitlegt, start zij een adresonderzoek. Dat duurt lang, bijna een jaar. De vrouw belt regelmatig met de gemeente, maar het blijft onduidelijk wanneer het adresonderzoek wordt afgerond. De vrouw maakt zich zorgen. Misschien zitten er wel financiële consequenties aan als instanties ervan uitgaan dat er twee personen op dit adres staan ingeschreven. Ze gaat naar de ombudsman en die doet navraag bij de gemeente.

De gemeente legt uit dat er geen wettelijke termijn is waarop een adresonderzoek moet zijn afgerond, maar dat ze natuurlijk probeert dat zo snel mogelijk te doen. Maar wel zorgvuldig en gedegen. In deze situatie heeft de gemeente meerdere vergeefse pogingen ondernomen om de persoon te achterhalen en ook heeft zij verschillende bronnen geraadpleegd. Uiteindelijk wordt duidelijk dat de persoon in Nederland verblijft. Dat betekent dat de gemeente hem niet zomaar uit de Basis Registratie Personen (BRP) kan uitschrijven. De gemeente moet nu actie ondernemen om te zorgen dat deze persoon op het juiste adres wordt ingeschreven. Dat kost tijd, vandaar.

De gemeente geeft ook aan dat de vrouw geen financieel risico loopt omdat de persoon ingeschreven stond met een briefadres en niet met een woonadres. De persoon wordt dus niet gezien als inwonend. Dat scheelt. De gemeente begrijpt dat de vrouw zich zorgen maakt. Zij biedt aan dat ze een verklaring kan afgeven, mochten er toch situaties zijn waarin de vrouw hinder ondervindt van deze situatie. Dat is mooi. Kort na de snelle actie van de ombudsman is het adresonderzoek afgerond en is de persoon uitgeschreven van het adres van de vrouw.