Het onderzoek dat maar bleef doorgaan
Een vrouw ontvangt een uitkering voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet. In juli 2024 ziet de gemeente aanleiding een onderzoek te starten naar haar woonsituatie. De vrouw levert bankafschriften in en de gemeente komt op huisbezoek. Uit het onderzoek blijkt dat de vrouw inderdaad alleen woont. Toch zet de gemeente het handhavingstraject voort. De vrouw moet namelijk uitleg geven over bepaalde bedragen die op haar bankafschriften staan en ze moet extra documenten aanleveren.
De vrouw vindt dat er geen reden was voor een onderzoek. Het heeft ook te lang geduurd omdat al snel duidelijk was dat haar informatie over haar woonsituatie juist is. De gemeente geeft aan dat zij onderzoeken mag voortzetten als daar aanwijzingen voor zijn. De vrouw is het daar niet mee eens. Ze krijgt stress van deze situatie, zegt ze. Ze merkt dat er ook kritisch gekeken wordt naar haar nieuwe aanvragen.
Kan de gemeente bijvoorbeeld weer ieder moment onverwacht aanbellen of posten in de straat? Ze vraagt de ombudsman om onderzoek te doen. De ombudsman stelt vast dat de gemeente mag onderzoeken of iemand nog recht heeft op een uitkering, ook als een eerder onderzoek is afgerond. Aan een handhavingsonderzoek zit geen vaste termijn. Er moet wel een goede reden voor zijn.
Volgens de ombudsman legt de gemeente duidelijk uit waarom zij verder onderzoek doet. Op de bankafschriften staan inkomsten die de vrouw niet heeft gemeld. Deze inkomsten kunnen invloed hebben op haar recht op een uitkering. Daarom mag de gemeente daar vragen over stellen.
Uiteindelijk zijn de inkomsten voor de gemeente aanleiding om de uitkering van de vrouw te herzien en de uitkering wordt ingetrokken. De vraag of de vrouw haar informatieplicht heeft geschonden, wordt nu door de rechter beoordeeld. De gemeente heeft aangegeven dat na dit besluit geen nieuw onderzoek is gestart. De vrouw heeft bij de ombudsman niet kunnen aantonen dat dit toch is gebeurd.
Norm: goede motivering (26.1.019)