Tekstgrootte
kleiner groter

Onderzoeken Inkomen

Uitkering ter overbrugging 18.1.107

Trefwoorden: behandeltermijn, voortvarendheid

Nadat zijn ww-uitkering is afgelopen, vraagt een man bijstandsuitkering ter overbrugging aan. Hij heeft namelijk weer een baan gevonden, maar deze start niet meteen. Van de sociale dienst krijgt hij te horen dat de behandeling van zijn aanvraag niet lang zal duren. Als hij na 2 maanden nog niets heeft gehoord, stuurt hij een herinneringsmail. Maar ook hier hoort hij niets op.

De ombudsman neemt contact op met de sociale dienst. Die vertelt dat de man inmiddels een voorschot heeft ontvangen. Ook heeft de sociale dienst hem intussen een besluit gestuurd waarin staat dat hij een uitkering krijgt. De ombudsman vindt dat de sociale dienst niet op tijd heeft gereageerd door pas na 2½ maand een besluit te nemen.

Vertrouwenspersoon wordt gemist 18.1.013

Trefwoorden: bejegening, klachtbehandeling

Een man beklaagt zich over de bejegening door medewerkers van de sociale dienst. Hij vindt dat tijdens een gesprek naar een vooringenomen conclusie werd toegewerkt, namelijk de beëindiging van zijn bijstandsuitkering. Gegevens zijn verdraaid, weggelaten, foutief weergegeven of uit hun context getrokken. Ook heeft de klachtenfunctionaris het hoorgesprek onjuist weergegeven en feiten verdraaid. Volgens de man heeft de klachtenfunctionaris niets met zijn klacht gedaan.
De man vertelt ten slotte dat hij zich tijdens het gesprek bij de sociale dienst vanwege zijn slechte gezondheidssituatie heeft laten overrompelen. Hij kon zich moeilijk concentreren.

De ombudsman constateert dat een vertrouwenspersoon de man had kunnen ondersteunen tijdens het gesprek. Maar dat de sociale dienst in strijd met een eerdere toezegging de man niet op de hoogte heeft gesteld van de mogelijkheid om iemand mee te nemen. Op dit punt handelde de sociale dienst dan ook niet behoorlijk.

Verder stelt de ombudsman vast dat de man is uitgenodigd voor een gesprek om uitleg te geven over zijn vermogenspositie. Het pas confronteren met de vragen hierover tijdens een gesprek is een onderzoeksmethode waar de sociale dienst gebruik van mag maken.
De man voelde zich geïntimideerd door de vragen maar ook door het feit dat hij gewezen is op de mogelijke gevolgen voor zijn uitkering als hij niet meewerkt. De ombudsman stelt vast dat cliënten op de hoogte moeten worden gesteld van de gevolgen als zij geen medewerking verlenen. De medewerkers erkennen dat zij de man stevig hebben bevraagd over zijn woon- en vermogenssituatie. Dat de man dit als intimiderend ervaarde, is voorstelbaar. De ombudsman stelt dat er een dunne scheidslijn loopt tussen stevig bevragen en intimideren. Of er daadwerkelijk sprake is geweest van intimidatie heeft de ombudsman niet kunnen vaststellen. Evenmin of er sprake is geweest van het verdraaien en uit de context halen van gegevens.

De man vindt dat hij nauwelijks tijd kreeg na het gesprek om het verslag ervan door te lezen. Hij wijst daarbij op zijn concentratieproblemen. De ombudsman kan echter niet vaststellen dat hij hiervan melding heeft gemaakt tijdens het gesprek. Maar het blijkt ook niet uit de brief die de man daags erna onder andere omstandigheden heeft opgesteld. Evenmin heeft de man hiervan melding gemaakt in zijn klachtbrief aan de gemeente.

De inhoudelijke reactie op de punten van het gespreksverslag kan de man in de bezwaarprocedure tegen de intrekking van de uitkering aan de orde stellen. Dat heeft de klachtenfunctionaris de man ook laten weten, wat naar het oordeel van de ombudsman correct is.
De ombudsman stelt verder vast dat het verslag van het hoorgesprek door de klachtenfunctionaris op 2 punten niet correct is. Ook erkent de klachtenfunctionaris dat hij ten onrechte heeft aangenomen dat de man tevreden was met zijn uitleg in het hoorgesprek en de man geen formele afhandeling van de klachten hoefde. De klachtenfunctionaris heeft daarvoor reeds zijn excuses aangeboden.

7 jaar of 84 maanden? 18.1.014

Trefwoorden: informatieverstrekking, terugvordering, termijnen

Begin 2010 ontvangt een man van de sociale dienst een intrekkings- en terugvorderingsbesluit. De sociale dienst vordert een bedrag van ruim € 135.000,- terug. Voor een deel van deze schuld is zijn partner hoofdelijk aansprakelijk. Om die reden ontvangt zij een terugvorderingsbesluit voor een gedeelte van het genoemde bedrag. In de besluiten wordt gemeld dat de sociale dienst oorspronkelijke schulden die hoger zijn dan € 15.000,- kwijtscheldt als men maximaal 7 jaar volledig heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting.
Eind 2017 ontvangen de man en zijn partner een brief met een overzicht van de aflossingen tot dat moment. In de brief staat: “Om voor kwijtschelding in aanmerking te komen dienen er minimaal 84 termijnen naar draagkracht te zijn afgelost.” Zij moeten dan samen nog ruim € 80.000,-  terugbetalen.

De man klaagt dat de sociale dienst nu spreekt over 84 termijnen in plaats van 7 jaar en dat die meerdere betalingen per maand als één termijn ziet. Dat is niet volgens het besluit van 27 januari 2010. Ook vindt de man dat zij er niet de dupe van mogen worden dat de werkgever van zijn partner het aflossingsbedrag soms een maand te laat heeft overgemaakt. Daarnaast is het maandelijkse aflossingsbedrag veel te hoog volgens hem en zijn de overzichten onduidelijk.

Uit het onderzoek van de ombudsman komt naar voren dat uit de toelichting van de beleidregels blijkt dat er wordt uitgegaan van maandelijkse termijnen. Kwijtschelding van het resterende bedrag is pas mogelijk als belanghebbende in bedoeld tijdvak in een vast patroon het vastgestelde aflossingsbedrag heeft betaald.
De ombudsman stelt vast dat 84 maanden in beginsel 7 jaar is, maar dat 84 maanden toch langer kunnen duren als men in die 7 jaar niet aaneengesloten maandelijks aflost.  
Ook geeft de sociale dienst aan dat als er wekelijks ontvangsten binnenkomen, deze worden toegerekend aan de betreffende maand. De ombudsman ziet dat de gemeente echter wel rekening houdt met omstandigheden zoals een te late betaling.
De beslagvrije voet blijkt kortgeleden te zijn aangepast. Dat heeft tot gevolg dat er sindsdien geen terugbetalingsruimte meer is en de resterende schuld voorlopig niet verder wordt ingevorderd.  
De ombudsman heeft om duidelijkere betalingsoverzichten gevraagd. Als die na het verbeteren van een tegenstrijdigheid door de gemeente zijn aangeleverd, blijkt daaruit dat de man 81 termijnen heeft afgelost. En verder zijn er 7 termijnen verstreken dat er niet meer werd ingevorderd, maar die wel meetellen. De gemeente ziet ook dat zij nu tot kwijtschelding kan overgaan. Voor zijn partner geldt dat er nog 9 termijnen te gaan zijn. Haar schuld bedraagt nog ruim € 9.000,-.
De ombudsman stelt vast dat de sociale dienst zich bij de berekening van deze termijnen ruimhartig heeft opgesteld. En dat is netjes.
Ten slotte meldt de sociale dienst dat de mogelijkheid voor een minnelijke schuldenregeling voor zijn andere schulden aanwezig is. En dat is wat de man graag wil.

Lening gewenst: welke schulden tellen mee? 18.1.016

Trefwoorden: informatievoorziening, bureaucratisch

Een man vraagt een lening van € 3000,- aan bij de GKB, maar deze wordt afgewezen. De man ziet echter dat de GKB in het besluit uitgaat van een te laag inkomen. Als hij de GKB daarop wijst, krijgt hij te horen dat hij een officieel heroverwegingsverzoek moet indienen. Het telefoontje is voor de GKB niet voldoende om de fout, die wordt erkend, te corrigeren. De man doet dezelfde dag nog een heroverwegingsverzoek per e-mail.

Dat de man een officieel heroverwegingsverzoek moet doen, vindt de ombudsman onnodig bureaucratisch. Temeer omdat de GKB niet heeft kunnen uitleggen waarom dit nodig is.

Enkele weken later krijgt de man te horen dat hij met de lening eerst zijn schulden (huurtoeslag, zorgtoeslag en belastingschuld) moet aflossen. Voor de terugbetaling van de toeslagen had de man echter betalingsregelingen met de Belastingdienst en over de hoogte van de belastingschuld liep een bezwaarprocedure. De man gaat onder protest akkoord met de aflossing van de huurtoeslag. Vervolgens wordt de man uitgenodigd om de stukken voor de lening te komen ondertekenen. Maar als het moment daar is, krijgt hij te horen dat hij met de lening toch ook de zorgtoeslag en belastingschuld moet aflossen. Ook wordt tegen hem gezegd dat een bedrag van € 500,- wordt ingehouden in verband met de mogelijkheid van roodstand bij zijn bank. Het hebben van deze kredietlimiet was bij eerdere aanvragen echter nooit een probleem. Door alle inhoudingen zou de man maar een klein deel overhouden voor de kosten waarvoor hij de lening heeft aangevraagd. Hij ziet daarom van de lening af.

De klacht van de man is dat hij over deze voorwaarden niet eerder is geïnformeerd. En dat er aanvullende voorwaarden (eerst schulden aflossen) worden gesteld die niet in het Bankreglement staan.

Voorwaarden
De ombudsman stelt vast dat de GKB aanvullende voorwaarden mag stellen. En de voorwaarde die de GKB stelt, is dat met de lening bestaande schulden moeten worden afgelost. Deze voorwaarde is gebaseerd op de zorgplicht zoals is verwoord in de Wet financieel toezicht. Daarmee handelt de GKB dan ook correct.

Over de reden dat alle schulden moeten worden afgelost, legt de GKB aan de ombudsman helder uit dat op deze wijze wordt voorkomen dat er meerdere aflossingen naast elkaar gaan lopen waardoor mensen in financiële problemen kunnen raken als gevolg van het krediet.

Uit het onderzoek van de ombudsman komt verder naar voren dat sinds maart 2015 de mogelijkheid om rood te staan ook als een schuld wordt gezien en bij de BKR wordt geregistreerd. Omdat de man niet rood stond, kan de ombudsman zich voorstellen dat de man niet heeft begrepen dat hij iets in moest vullen bij het woord ‘roodstand’ op het aanvraagformulier. Zij doet de gemeente daarom de aanbeveling om hierover uitleg te geven op het informatieblad en op het aanvraagformulier. De GKB mag wel als voorwaarde stellen dat de man de mogelijkheid tot roodstand moet beëindigen. Met deze voorwaarde handelt de GKB niet in strijd met de regels. De GKB legt echter niet uit waarom er € 500,- moet worden afgetrokken van de lening nu de man helemaal niet rood stond.

Informatie
Over de informatievoorziening stelt de ombudsman vast dat de GKB mensen vooraf kan informeren dat schulden en de mogelijkheid van roodstand worden meegenomen in de aanvraag. Dat de GKB vooraf niet weet of dit ook voor een specifieke situatie geldt, doet daaraan niets af. De website van de GKB vermeldt niet dat eventuele schulden uit het te verstrekken krediet moeten worden betaald. Ook het aanvraagformulier en de bijbehorende toelichting reppen hier niet over. De informatieverstrekking van de GKB is volgens de ombudsman op dit punt niet behoorlijk. Zij adviseert de GKB de informatievoorziening hierover te verbeteren.

Verzenddatum klopt niet 18.1.019

Trefwoorden: bekendmaking, bezwaar

Een man ontvangt een besluit van de gemeente met daarop een verzenddatum die 2 weken voor de datum van de werkelijke verzending (volgens de poststempel) ligt. Hierdoor heeft hij fors minder tijd om stappen te nemen, zoals het treffen van een aflossingsregeling of het indienen van een bezwaarschrift. Dat laatste moet binnen 6 weken na de datum die in het besluit is vermeld.
De ombudsman krijgt van de gemeente te horen dat het besluit de daadwerkelijke verzenddatum had moeten vermelden. Zij biedt haar excuses aan. Verder deelt de gemeente mee dat de leidinggevende de betrokken medewerker erop heeft aangesproken om te voorkomen dat het opnieuw zal gebeuren.
De ombudsman stelt vast dat de gemeente hiermee laat zien dat zij de klacht serieus neemt. Verder constateert zij dat uit de door de gemeente toegezonden stukken blijkt dat de man tijdig bezwaar heeft ingediend. Zij concludeert dat de late verzending daarmee geen nadelige gevolgen voor hem heeft gehad.

Zoekgeraakte stukken 18.1.025

Trefwoorden: ontvangstbevestiging, bewijs


Een moeder vertelt dat zij voor haar dochter stukken heeft ingeleverd bij de sociale dienst. Dit naar aanleiding van haar aanvraag bijzondere bijstand. Er is toen een datumstempel op gezet, maar de medewerker meldt ook dat er nog een stuk ontbreekt. Dat stuk hebben moeder en dochter thuis opgezocht en vervolgens ook bij de sociale dienst ingeleverd.Tot hun grote verbazing meldt de sociale dienst kort daarna dat die geen enkel stuk heeft ontvangen. Moeder stelt dat dit niet klopt, ze heeft alle stukken persoonlijk afgegeven. Ze heeft echter geen ontvangstbevestiging gevraagd, ze wist niet dat dit kon.  
Na uitvoerig onderzoek moet de ombudsman vaststellen dat de stukken niet zijn achterhaald bij de sociale dienst. Moeder en dochter hebben niet kunnen aangeven welke stukken ze hebben ingeleverd en wanneer ze dit hebben gedaan. Uiteindelijk wordt de aanvraag wegens het ontbreken van de stukken niet meer in behandeling genomen. De sociale dienst gaat ervan uit dat de stukken niet zijn afgegeven. Of dat terecht is, is onderwerp van de bezwaarprocedure. De ombudsman wijst de gemeente en de vrouw op het belang van ontvangstbevestigingen. Dat voorkomt later veel gezoek en een welles-nietes situatie.

Zoon in de problemen 18.1.026

Trefwoorden: dakloos, uitkering, woningdeler, schulden

Een moeder vertelt dat haar zoon door omstandigheden twee jaar geleden dakloos is geworden. Om zijn leven weer op orde te krijgen heeft hij een uitkering nodig. Van de sociale dienst heeft hij te horen gekregen dat hij naar het Leger des Heils moet voor opvang. Maar het Leger des Heils wil hem niet opvangen, omdat hij geen uitkering heeft. Tijdens het spreekuur voor dak- en thuislozen is haar zoon opnieuw verteld dat hij geen uitkering kan krijgen als hij niet in de opvang zit. Ook bij het WIJ-team komen ze niet verder aangezien het WIJ-team hetzelfde van de sociale dienst te horen krijgt. Maar de opvang is voor haar zoon niet geschikt. Moeder vraagt hoe haar zoon toch een uitkering kan aanvragen.
Uit het onderzoek komt naar voren dat de zoon feitelijk (deels) bij zijn moeder verblijft. Hij kan een uitkering aanvragen als hij zich bij de gemeente laat inschrijven op het adres van moeder waar hij feitelijk woont. De gemeente heeft uitgezocht welke consequenties dat heeft voor de uitkering van haar andere inwonende zoon. Die zal met ongeveer € 70,- worden verlaagd.
Met deze uitleg heeft de sociale dienst duidelijkheid gegeven over de stappen die haar zoon moet zetten om op korte termijn een uitkering te kunnen krijgen. Het is nu aan haar zoon om hierover een beslissing te nemen.
Moeder bedankt voor de hulp en tussenkomst van de ombudsman. Ze laat weten dat haar zoon vrees heeft voor de deurwaarder in verband met schulden. Daarvoor verwijst de ombudsman hen naar het Juridisch Loket voor advies.

Onduidelijke situatie roept vragen op 18.1.027

Trefwoorden: uitkering, informatie

Een dak- en thuisloze man wil graag een uitkering ontvangen. Van de sociale dienst krijgt hij te horen dat hij daarvoor in het slaaphuis moet slapen. Na hier enkele nachten te hebben geslapen, vraagt de man op in december 2017 een uitkering aan. Tijdens een gesprek vertellen twee medewerkers van de sociale dienst de man vervolgens dat hij een verklaring van zijn verhuurder moet inleveren bij wie hij van oktober 2016 tot augustus 2017 verbleef, eerst als huurder later als logé. Dit doet de man. Maar volgens de man wordt hem dan gezegd dat hij niet eerlijk is. Hij moet eerst vertellen waar hij de afgelopen maanden van heeft geleefd. De man begrijpt niet waarom hij niet eerlijk zou zijn. Hij heeft de sociale dienst immers verteld dat hij bij het slaaphuis en bij vrienden en familie at.
De ombudsman legt de klacht voor aan de sociale dienst en vraagt ook of de man een voorschot zou kunnen krijgen.
De sociale dienst meldt de ombudsman dat de uitkering van de man per 1 april 2017 is beëindigd, omdat hij destijds volgens een bericht van zijn verhuurder in maart 2017 is vertrokken. Tijdens de gesprekken over zijn aanvraag geeft de man echter aan dat hij tot augustus 2017 op het adres van zijn verhuurder verbleef. En dat hij daarna naar Frankrijk en Italië is gegaan. De man heeft een verklaring ingeleverd van de verhuurder. Bij navraag door de sociale dienst bleek deze verklaring niet van de verhuurder afkomstig te zijn. De verhuurder heeft dit toen op de verklaring geschreven en dit ook ondertekend. Omdat de man ondanks herhaaldelijke verzoeken weigert om duidelijkheid te geven over zijn verblijf in het buitenland en zijn financiële situatie, kan hij geen uitkering en dus ook geen voorschot krijgen.
De ombudsman constateert ook zelf dat de handtekening op de door de man ingeleverde verklaring afwijkt van de handtekening van de verhuurder. Zij stelt vast dat hiermee duidelijk is dat de man onjuiste informatie heeft verstrekt aan de sociale dienst. En dat de man daarmee terecht is geconfronteerd. Verder stelt zij vast dat de sociale dienst de overige informatie nodig heeft om te kunnen beoordelen of de man recht heeft op een uitkering. En dat hij geen uitkering krijgt, zolang hij die informatie niet verstrekt.

Spoedaanvraag bijzondere bijstand voor griffierechten 18.1.030

Trefwoorden: aanvraag, afhandelingstermijn, terugbelverzoek, bejegening

Een man heeft op 1 februari een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor het kunnen betalen van griffierechten. Hij moet deze griffierechten uiterlijk 28 februari betalen, zo heeft de rechtbank hem laten weten. Doet hij dat niet, dan kan hij niet procederen.
De man heeft 3x telefonisch contact gehad met de klantenservice van de gemeente. Twee keer is het terugbelverzoek dat hij heeft gedaan niet nagekomen. Als de man voor de 3e keer belt met de klantenservice verloopt dat gesprek ongelukkig. Hij krijgt namelijk zonder aankondiging ineens een medewerker van bijzondere bijstand aan de lijn. Deze medewerker stelt zich volgens de man bot en formeel op en verschuilt zich achter de wettelijke behandeltermijn van 8 weken.
Daarop heeft de man een klacht ingediend, maar als hij in het automatische antwoord leest dat de behandeling daarvan 6 weken kan duren wendt de man zich tot de ombudsman. Die vraagt de gemeente of het mogelijk is dat de man uiterlijk de volgende dag (27 februari) uitsluitsel krijgt over zijn aanvraag bijzondere bijstand. Dat blijkt te lukken. De volgende dag wordt de bijstand toegekend en het geld tijdig overgemaakt naar de rechterlijke instantie. De man is blij met deze interventie.
In het latere klachtonderzoek erkent de gemeente dat zij de terugbelverzoeken niet goed heeft opgepakt. En ook dat dit vanwege de urgentie van de vraag, extra vervelend is geweest. De gemeente biedt hiervoor haar excuses aan.
Ten aanzien van de inhoud van het 3e gesprek zijn de gemeente en de man het deels met elkaar eens, maar deels ook niet. Omdat de ombudsman er niet bij is geweest, kan zij daar geen oordeel over uitspreken.
Wel kondigt de ombudsman aan te gaan volgen hoe de gemeente in toekomstige gevallen omgaat met terugbelverzoeken omdat de gevolgen van niet terugbellen voor burgers vervelend kunnen zijn.

Nadere informatie is nodig 18.1.031

Trefwoorden: budgetbeheer, volmacht, zorgplicht

Een man is in budgetbeheer bij de GKB. Eind december 2017 komt de man erachter dat de GKB de renovatievergoeding, die hij van de woningbouwvereniging heeft ontvangen, heeft ingehouden. Ook houdt de GKB zijn huur- en zorgtoeslag in. De man ontvangt slechts € 40,00 leefgeld per week.
Hij dient een klacht in bij de gemeente over de inhoudingen. Verder vraagt hij om een duidelijk overzicht van de manier waarop zijn budgetbeheer wordt uitgevoerd. Ook wil hij graag weten of er buiten zijn medeweten sprake is van een aflossing van schulden of schuldhulpverlening.
Van de gemeente krijgt de man te horen dat hij tijdens een gesprek bij de GKB in het bijzijn van zijn hulpverlener van de MJD een budgetplan en een volmacht heeft ondertekend. Daarmee heeft hij de GKB toestemming gegeven om al zijn inkomsten in ontvangst te nemen, dus ook de huur- en zorgtoeslag en de renovatievergoeding. De GKB hoeft niet voor iedere betalingsregeling of andere aflossing met de man te overleggen. Omdat er binnen zijn budget geen ruimte is voor een regeling heeft de GKB besloten om de renovatievergoeding te gebruiken voor de aflossing van de huurachterstand.

De man is niet tevreden met de reactie van de gemeente en wendt zich via een gemachtigde tot de ombudsman. Deze stelt dat de man niet de betekenis heeft kunnen begrijpen of de gevolgen heeft kunnen overzien van de volmacht. Hij spreekt Frans en zijn kennis van het Nederlands is onvoldoende om eenvoudige teksten te kunnen begrijpen.
Daarnaast is hij van mening dat het budgetbeheer te strikt wordt toegepast, omdat de schuldenlast niet aan de man kan worden toegerekend. De schulden zijn volgens hem ontstaan door toedoen door Humanitas en Helios. Volgens de man zijn deze zorg- en hulpverleners en ook de gemeente die de instanties heeft ingeschakeld op basis van haar zorgplicht aansprakelijk voor de schade. Hij verzoekt de ombudsman om een onderzoek in te stellen naar de herkomst, samenstelling en hoogte van de schulden en betalingsachterstanden.

De ombudsman is slechts bevoegd om een deel van zijn klachten in onderzoek te nemen. Als meneer de hiervoor nodige extra informatie niet levert, ook niet na een herinnering, sluit de ombudsman het dossier.

Onnodige gegevens opgevraagd 18.1.033

Trefwoorden: aanvraag, uitkering, terugwerkend

Een man beklaagt zich erover dat de gemeente zijn aanvraag om een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht probeert te ontmoedigen. De sociale dienst heeft besloten dat hij de Bbz-uitkering, die hij in 2016 in de vorm van een lening ontving, terug moet betalen. De man is van mening dat zijn inkomen in het laatste kwartaal van 2016 onder de bijstandsnorm was en hij over die periode dus in aanmerking zou moeten komen voor een bijstandsuitkering.

Nadat een medewerker van de sociale dienst eerst heeft gemeld dat hij daarvoor een aanvraag in kan dienen, krijgt hij kort daarna tot zijn verbazing een e-mail dat zijn aanvraag niet in behandeling genomen wordt omdat hij al bijna een jaar een uitkering heeft. Zijn aanvraag gaat echter over een periode daarvoor.

De man dient over het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag een klacht in. De gemeente reageert daarop met excuses. En de mededeling dat de aanvraag alsnog in behandeling zal worden genomen. Hiermee is de man tevreden totdat hij twee brieven van dezelfde datum ontvangt van de sociale dienst.

In de ene brief schrijft de sociale dienst dat die nog niet alle gegevens heeft die nodig zijn om zijn aanvraag te kunnen behandelen. De man meent echter dat de sociale dienst de meeste gegevens al in zijn bezit heeft, zoals een geldig legitimatiebewijs, inschrijfbewijs zorgverzekeraar en een cv. Daarnaast vraagt de sociale dienst om bankafschriften over een geheel andere periode dan waar de aanvraag betrekking op heeft. Ten slotte wil de sociale dienst een verklaring taaleis, terwijl de door de man genoten opleidingen al bekend zijn bij de gemeente.

In de andere brief staat ook dat de sociale dienst nog nadere gegevens van de man nodig heeft. Maar nu vraagt de sociale dienst over een andere periode gegevens op. Deze periode is ook niet de periode waarover de aanvraag gaat.

De man vindt het niet correct dat de sociale dienst hem om gegevens vraagt die de dienst al in zijn bezit heeft. Hij ervaart dit als ‘een ontmoedigingsbeleid’. Zoveel mogelijk documenten opvragen en vervolgens ook nog weinig tijd geven om die in te leveren (8 dagen).

De gemeente laat de ombudsman weten dat het opvragen van stukken die er al zijn, niet had gemoeten. Het is te wijten aan de onervarenheid van de medewerker die deze aanvraag wilde afhandelen. Ondanks de waarschuwing die de klachtenfunctionaris vooraf gaf dat het om een complexe aanvraag gaat. Hij zal dit voorval bespreken met de leidinggevende van betrokken medewerkers. De gemeente biedt opnieuw excuses aan voor de gang van zaken.

Nu de gemeente aangeeft dat de zaak intern zal worden besproken, is de ombudsman van mening dat dit in toekomstige gevallen niet opnieuw hoeft te gebeuren. Daarmee is de klacht zinvol geweest, ook voor anderen en dat was de intentie van de man.

Bij afronding van dit onderzoek is inmiddels over de aanvraag beslist. En tegen dat besluit kan de man bezwaar indienen als hij het er niet mee eens is.

Antwoord laat op zich wachten 18.1.035

Trefwoorden: reactietermijn, voortvarendheid

Een gemachtigde beklaagt zich er bij de ombudsman over dat de gemeente niet heeft gereageerd op haar brief van oktober 2017 betreffende een verzoek tot wijziging van een akte van schuldbekentenis, ondanks haar 2 herinneringen in januari en februari 2018.
De gemeente deelt de ombudsman mee dat zij ervan uitgaat dat de brieven niet zijn beantwoord. De behandelend medewerker zou een e-mail hebben gestuurd, maar deze is niet terug te vinden. Als reden voor het uitblijven van een reactie geeft de gemeente een achterstand in de verwerking van poststukken.
Dit vindt de ombudsman geen rechtvaardiging. Zij is van oordeel dat de gemeente niet voortvarend heeft gehandeld. Zeker omdat de gemachtigde in de eerste brief heeft gemeld dat zij op korte termijn informatie aan de rechtbank moest verstrekken. En daarna nog 2 herinneringen heeft gestuurd, waarin zij een reactietermijn heeft gegeven van een week. Tijdens het onderzoek van de ombudsman heeft de gemeente alsnog gemotiveerd aangegeven dat zij niet tegemoet kan komen aan het verzoek tot wijziging van de akte. De ombudsman is van oordeel dat de gemeente uiteindelijk het verzoek hiermee inzichtelijk heeft beantwoord.

‘Gehuwd met een bijstandsuitkering’ 18.1.042

Trefwoorden: informatievoorziening, reactietermijn, terugvordering, terugbelverzoek

Een gehuwde man met een uitkering voor marginaal zelfstandigen ontvangt halverwege oktober 2017 een brief van de gemeente waarin staat dat hij ‘waarschijnlijk recht heeft op teruggaaf van de Algemene heffingskorting minstverdienende partner’. In deze brief (‘U bent gehuwd met een bijstandsuitkering’) wordt hem geadviseerd deze teruggaaf bij de Belastingdienst aan te vragen. Ook als hij dat niet doet, gaat de gemeente dit met ingang van 1 november 2017 verrekenen met zijn uitkering. De gemeente baseert zich daarbij op een wettelijke verplichting. Voor de man was dit geheel nieuw en hij vindt de termijn waarbinnen hij moet handelen erg kort.
De man heeft direct een aanvraag gedaan, maar die wordt afgewezen door de Belastingdienst. Een week later ontvangt de man toch een besluit van de gemeente dat hij te veel uitkering heeft ontvangen en dat er € 430,80 wordt teruggevorderd. Als hij niet uiterlijk 31 december 2017 heeft betaald, wordt de schuld vanaf dan gebruteerd. Eén dag later ontvangt zijn vrouw een vervolgbrief die zegt dat de betaling nog eerder, namelijk uiterlijk 12 december moet zijn overgemaakt, om tijdig te kunnen worden verwerkt.
De man schrikt erg, want het gaat voor hem om een behoorlijk bedrag en ook deze termijn is erg kort. Op basis van nadere informatie van de sociale dienst doet de man een nieuwe aanvraag, maar ook die wordt afgewezen door de Belastingdienst. Om brutering te voorkomen zit er voor de man niets anders op dan het bedrag te betalen. De man is van mening dat hij onjuist is geïnformeerd door de gemeente. Hij voelt zich van het kastje naar de muur gestuurd en niet serieus genomen. Het is hem ook opgevallen dat hij verschillende keren niet binnen de toegezegde 24 uur is teruggebeld door de medewerker van de sociale dienst.
De gemeente laat de ombudsman weten dat de klacht op alle punten gegrond is. Zij heeft de situatie niet goed ingeschat. Er is geen rekening gehouden met het feit dat de man al meerdere jaren onder de regeling Marginaal Zelfstandigen valt. Ook erkent de gemeente te zijn tekortgeschoten in de informatievoorziening en heeft zij de man onvoldoende tijd gegund om de benodigde maatregelen te (kunnen) treffen. De gemeente biedt hiervoor haar excuses aan en dat is netjes. De leidinggevende gaat de zaak met de medewerker bespreken en daarmee wordt de kans kleiner dat dit nogmaals gebeurt.
De ombudsman stelt ten slotte vast dat de gemeentelijke registratie van de telefonische contacten/terugbelverzoeken niet volledig is. Dat is niet correct. Dat de gemeente hiervoor haar excuses aanbiedt, is dan ook netjes.

Inmiddels heeft de gemeente een heroverwegingsbesluit genomen waarin het oorspronkelijke besluit vervallen wordt verklaard. De man laat weten dat hij het ten onrechte betaalde bedrag terug heeft gekregen van de gemeente. Daarmee komt de zaak weer op zijn pootjes terecht.

Uitkering geblokkeerd, maar waarom? 18.1.046

Trefwoorden: rechtmatig verblijf, IND

Een vrouw vertelt dat ze 17 jaar geleden naar Nederland is gekomen voor de liefde. Toen de relatie na 10 jaar eindigde, raakte ze dakloos. Het heeft ongeveer 5 jaar geduurd voordat ze een eigen huisje had en een uitkering. Soms heeft ze een tijdelijke baan. De reden dat ze bij de ombudsman komt, is dat haar bijstandsuitkering al 4 maanden is geblokkeerd. Ze is bang dat ze binnenkort uit haar huis moet. De IND speelt een rol, maar welke rol weet de vrouw niet precies.
Vanwege de dringende financiële problemen, neemt de ombudsman contact op met de gemeente en met de advocaat van de vrouw.
De gemeente laat weten dat de uitkering is geblokkeerd omdat de IND heeft laten weten dat de vrouw sinds 4 maanden niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft. Dat heeft gevolgen voor de uitkering. Een uitkering mag namelijk alleen worden verstrekt aan iemand die rechtmatig in Nederland verblijft. De beslissing of iemand rechtmatig in Nederland verblijft, is niet aan de gemeente maar aan de IND.
Dat betekent dat de gemeente volgens de regels handelde toen zij de uitkering blokkeerde. Of de IND een correct besluit heeft genomen, is onderwerp van een procedure bij de rechter.
De advocaat van de vrouw laat weten dat de situatie anders wordt als de vrouw gaat werken. Als ze tenminste 16 uur per week werkt en minimaal € 500,- per maand verdient, wordt de vrouw ‘economisch actief’. Als haar inkomen dan nog onder de bijstandsnorm is, zou de vrouw recht kunnen hebben op een aanvullende uitkering. De ombudsman informeert de vrouw over deze mogelijkheid en adviseert haar om het te melden bij haar advocaat en de sociale dienst als ze werk heeft gevonden.

Uit de impasse 18.1.052

Trefwoorden: uitkering, verblijf, dakloos

Een man probeert al maanden tevergeefs met hulp van zijn begeleider van Werkpro een bijstandsuitkering te krijgen. Met een uitkering zou de man ook weer een ziektekostenverzekering kunnen krijgen en kan hij eindelijk terecht bij instanties die hem met zijn problematiek kunnen helpen. De sociale dienst wil hem echter geen uitkering verstrekken omdat de man geen vaste verblijfplaats heeft. Hij verblijft gewoon in Groningen, daar kan zijn begeleider voor instaan want die ziet hem wekelijks. Toch moet de man van de sociale dienst naar de nachtopvang. Dat heeft hij enkele nachten gedaan. Langer verblijf was niet mogelijk, dat wordt ook bevestigd door de nachtopvang. De man is daarvoor te kwetsbaar. Toch krijgt de man geen uitkering en moet hij vervolgens 2 logeeradressen geven aan de sociale dienst. Ook dat doet hij, maar dan blijkt dat niet voldoende. Er moet nog een 3e adres komen. De man en zijn begeleider vragen zich af wanneer het stellen van nieuwe eisen ophoudt. Zij weten niet hoe ze uit de impasse met de sociale dienst moeten komen.
De ombudsman legt de kwestie, tezamen met het gevraagde 3e adres voor aan de sociale dienst. Na veel contacten over en weer meldt de sociale dienst na 10 dagen dat de man, rekening houdend met zijn bijzondere situatie, een uitkering krijgt. Nu kan de man met ondersteuning van zijn begeleider verder en dat is fijn. Hiermee beëindigt de ombudsman haar bemoeienissen. Zij bedankt de klachtenfunctionaris voor zijn inzet in deze kwestie.

Net op tijd aan de bel getrokken 18.1.061

Trefwoorden: vakantiegeld, beslagvrije voet

Een man komt eind mei bij de ombudsman. Hij vertelt dat het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) beslag heeft gelegd op zijn uitkering. In april heeft het LBIO, na door te man daarop te zijn gewezen, erkend dat zij de beslagvrije voet te laag hadden vastgesteld. Het LBIO heeft deze verhoogd van € 892,91 naar € 1.044,47. De man constateert dat zijn uitkering inclusief vakantiegeld (€ 992,12) nu onder de beslagvrije voet komt. En dat hij dit jaar daarom weer zelf zijn vakantiegeld zou moeten ontvangen.
Hierover heeft hij contact opgenomen met de sociale dienst. Daar kreeg hij echter te horen dat de sociale dienst verplicht is het vakantiegeld over te maken naar het LBIO. Nu en in de komende jaren. Volgens de man is dat niet juist. De man heeft het vakantiegeld heel hard nodig en is bang dat als zijn vakantiegeld eenmaal is overgemaakt aan het LBIO, hij het niet meer terugkrijgt.
In de eerste plaats vraagt de ombudsman aan de gemeente de uitbetaling van het vakantiegeld van de man op te schorten. Verder komt uit het onderzoek van de ombudsman naar voren dat de vakantietoeslag, ongeacht hoe deze wordt uitbetaald, elke maand wordt meegenomen in de berekening van de beslagvrije voet (artikel 475d Rv.). Kortom, beslag op vakantiegeld mag niet als het inkomen (inclusief de aanspraak op vakantiegeld) beneden de beslagvrije voet blijft.

De gemeente laat al snel weten dat de man zijn vakantiegeld zelf gaat ontvangen en dat er vanaf mei geen inhouding meer plaatsvindt op zijn uitkering. Wel vraagt de gemeente zich af hoe het LBIO aan een beslagvrije voet komt van € 1044,45 terwijl de beslagvrije voet in zijn geval € 992,12 zou moeten zijn.
De ombudsman ziet op de kopie van de nieuwe berekening van het LBIO dat de beslagvrije voet als volgt is berekend. De basisbeslagvrije voet ad € 892,91 + ‘meerwoonkosten’ ad € 48,89 + ‘correctie beslagvrije voet in verband met hogere ziektekosten’ ad € 102,67. Samen is dat € 1.044,47.  
Met de voor de man positieve reactie van de sociale dienst eindigen de bemoeienissen van de ombudsman.

Meer informatie nodig 18.1.063

Trefwoorden: uitkering, voorschot

Een man vraagt een uitkering aan. Nadat hij eerst nadere gegevens heeft moeten inleveren, komen 2 medewerkers van de sociale dienst bij hem op huisbezoek. Daarna wordt hem gevraagd om de bankafschriften van zijn beleggingsrekening over een heel jaar in te leveren. Maar de man stelt dat hij de rekening alleen heeft om te leren beleggen. Hij kan dan kijken hoe de waardes veranderen. De man heeft nooit geld op de rekening gestort, want dat heeft hij niet. Hij levert een jaaroverzicht in en bankafschriften van zijn gewone rekening. Vervolgens nodigt de sociale dienst de man uit voor een gesprek. Omdat er dan al ruim 3 maanden zijn verstreken en de man in geldnood komt, gaat de man naar de ombudsman. De man vermoedt dat de sociale dienst de aanvraagprocedure vertraagt. Hij vertelt dat hij al eens een voorschot heeft aangevraagd, maar dat dit is afgewezen.
De ombudsman vraagt de sociale dienst of er nu wél een voorschot kan worden verstrekt. Die laat weten dat inmiddels vaststaat dat de man niets met zijn beleggingsrekening doet. Maar een voorschot wil de sociale dienst niet geven, omdat nog niet duidelijk is of de man wel recht heeft op een uitkering. Om dat te kunnen vaststellen heeft de sociale dienst meer informatie van de man nodig. Daarvoor dient het geplande gesprek. De ombudsman stelt de man hiervan op de hoogte. Hij zal toch het gesprek moeten afwachten.

Veel klachten, geen mediation 18.1.067

Trefwoorden: ontvankelijkheid, mediation

Een man legt een aantal klachten neer bij de ombudsman. De gemeente ontvangt een kopie hiervan. De klachten hebben betrekking op gedragingen van 2 medewerkers van de gemeente.

Zoals gebruikelijk bestudeert de ombudsman eerst de meegestuurde stukken. Daaruit blijkt dat er na afronding van een eerder klachtonderzoek door de ombudsman in 2016 diverse procedures bij andere instanties zijn gevolgd en nog lopen. Een aantal van de genoemde klachten is in die procedures al aan de orde (geweest). Om die reden neemt de ombudsman deze klachten niet in behandeling. Andere klachtonderdelen betreffen gedragingen van langer geleden of zijn kennelijk gegrond. Om die redenen neemt de ombudsman ook die onderdelen niet in onderzoek.

De gemeente doet vanwege de hoeveelheid van procedures die ook nog niet allemaal zijn afgerond een voorstel voor mediation. De ombudsman legt dit voor aan de klager. Die reageert echter niet op het voorstel. De ombudsman stelt vast dat voor succesvolle mediation de bereidheid van alle betrokkenen nodig is. Nu daarvan niet is gebleken, lijkt mediation niet haalbaar. De ombudsman rest niets anders dan het dossier te sluiten.

Ondernemingsplan niet opnieuw beoordeeld 18.1.073

Trefwoorden: traject, ondernemingsplan, zelfstandige

Een man wil graag als zelfstandige aan de slag. Hij heeft een ondernemingsplan maar dat is door de afdeling Zelfstandigen in 2017 afgewezen. Omdat hij echt graag als zelfstandige wil werken, kaart hij in de zomer 2018 zijn ondernemingsplan aan bij een consulent van de sociale dienst die hem in het kader van het ‘Bijstand op maat’ project extra begeleidt. Zij verwijst hem naar de afdeling Zelfstandigen om het plan opnieuw te laten beoordelen. Vol verwachting wendt de man zich tot de afdeling maar die meldt hem direct dat het plan niet opnieuw getoetst zal worden. De man voelt zich van het kastje naar de muur gestuurd en komt bij de ombudsman.
De ombudsman stelt vast dat de man tegen de afwijzing in 2017 een bezwaar- en beroepsprocedure heeft doorlopen. In beide procedures is hij in het ongelijk gesteld. Verder is de man eind 2017 bij het project ‘Bijstand op maat’ gekomen. In dat kader zocht zijn consulent destijds contact met de afdeling Zelfstandigen. Omdat er geen sprake was van gewijzigd ondernemingsplan, wilde de afdeling het plan niet opnieuw beoordelen. Dat heeft de consulent de man begin 2018 verteld. Dat de afdeling later in het jaar bij deze afwijzing zou blijven, zou voor de man dan ook geen verrassing moeten zijn. Ondanks de gestelde verwijzing van de bewuste consulent. Die overigens uitdrukkelijk ontkent dat zij de man naar de afdeling Zelfstandigen heeft verwezen. Daar was namelijk geen enkele aanleiding voor. Nu de ombudsman geen enkele aanwijzing vindt van het tegendeel, is de klacht van de man ongegrond.

Deel deze pagina op