Tekstgrootte
kleiner groter

Onderzoeken Inkomen

Vertrouwenspersoon wordt gemist 18.1.013

Trefwoorden: bejegening, klachtbehandeling

Een man beklaagt zich over de bejegening door medewerkers van de sociale dienst. Hij vindt dat tijdens een gesprek naar een vooringenomen conclusie werd toegewerkt, namelijk de beëindiging van zijn bijstandsuitkering. Gegevens zijn verdraaid, weggelaten, foutief weergegeven of uit hun context getrokken. Ook heeft de klachtenfunctionaris het hoorgesprek onjuist weergegeven en feiten verdraaid. Volgens de man heeft de klachtenfunctionaris niets met zijn klacht gedaan.
De man vertelt ten slotte dat hij zich tijdens het gesprek bij de sociale dienst vanwege zijn slechte gezondheidssituatie heeft laten overrompelen. Hij kon zich moeilijk concentreren.
De ombudsman constateert dat een vertrouwenspersoon de man had kunnen ondersteunen tijdens het gesprek. Maar dat de sociale dienst in strijd met een eerdere toezegging de man niet op de hoogte heeft gesteld van de mogelijkheid om iemand mee te nemen. Op dit punt handelde de sociale dienst dan ook niet behoorlijk.
Verder stelt de ombudsman vast dat de man is uitgenodigd voor een gesprek om uitleg te geven over zijn vermogenspositie. Het pas confronteren met de vragen hierover tijdens een gesprek is een onderzoeksmethode waar de sociale dienst gebruik van mag maken.
De man voelde zich geïntimideerd door de vragen maar ook door het feit dat hij gewezen is op de mogelijke gevolgen voor zijn uitkering als hij niet meewerkt. De ombudsman stelt vast dat cliënten op de hoogte moeten worden gesteld van de gevolgen als zij geen medewerking verlenen. De medewerkers erkennen dat zij de man stevig hebben bevraagd over zijn woon- en vermogenssituatie. Dat de man dit als intimiderend ervaarde, is voorstelbaar. De ombudsman stelt dat er een dunne scheidslijn loopt tussen stevig bevragen en intimideren. Of er daadwerkelijk sprake is geweest van intimidatie heeft de ombudsman niet kunnen vaststellen. Evenmin of er sprake is geweest van het verdraaien en uit de context halen van gegevens.
De man vindt dat hij nauwelijks tijd kreeg na het gesprek om het verslag ervan door te lezen. Hij wijst daarbij op zijn concentratieproblemen. De ombudsman kan echter niet vaststellen dat hij hiervan melding heeft gemaakt tijdens het gesprek. Maar het blijkt ook niet uit de brief die de man daags erna onder andere omstandigheden heeft opgesteld. Evenmin heeft de man hiervan melding gemaakt in zijn klachtbrief aan de gemeente.
De inhoudelijke reactie op de punten van het gespreksverslag kan de man in de bezwaarprocedure tegen de intrekking van de uitkering aan de orde stellen. Dat heeft de klachtenfunctionaris de man ook laten weten, wat naar het oordeel van de ombudsman correct is.
De ombudsman stelt verder vast dat het verslag van het hoorgesprek door de klachtenfunctionaris op 2 punten niet correct is. Ook erkent de klachtenfunctionaris dat hij ten onrechte heeft aangenomen dat de man tevreden was met zijn uitleg in het hoorgesprek en de man geen formele afhandeling van de klachten hoefde. De klachtenfunctionaris heeft daarvoor reeds zijn excuses aangeboden.

7 jaar of 84 maanden? 18.1.014

Trefwoorden: informatieverstrekking, terugvordering, termijnen

Begin 2010 ontvangt een man van de sociale dienst een intrekkings- en terugvorderingsbesluit. De sociale dienst vordert een bedrag van ruim € 135.000,- terug. Voor een deel van deze schuld is zijn partner hoofdelijk aansprakelijk. Om die reden ontvangt zij een terugvorderingsbesluit voor een gedeelte van het genoemde bedrag. In de besluiten wordt gemeld dat de sociale dienst oorspronkelijke schulden die hoger zijn dan € 15.000,- kwijtscheldt als men maximaal 7 jaar volledig heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting.
Eind 2017 ontvangen de man en zijn partner een brief met een overzicht van de aflossingen tot dat moment. In de brief staat: “Om voor kwijtschelding in aanmerking te komen dienen er minimaal 84 termijnen naar draagkracht te zijn afgelost.” Zij moeten dan samen nog ruim € 80.000,-  terugbetalen.
De man klaagt dat de sociale dienst nu spreekt over 84 termijnen in plaats van 7 jaar en dat die meerdere betalingen per maand als één termijn ziet. Dat is niet volgens het besluit van 27 januari 2010. Ook vindt de man dat zij er niet de dupe van mogen worden dat de werkgever van zijn partner het aflossingsbedrag soms een maand te laat heeft overgemaakt. Daarnaast is het maandelijkse aflossingsbedrag veel te hoog volgens hem en zijn de overzichten onduidelijk.
Uit het onderzoek van de ombudsman komt naar voren dat uit de toelichting van de beleidregels blijkt dat er wordt uitgegaan van maandelijkse termijnen. Kwijtschelding van het resterende bedrag is pas mogelijk als belanghebbende in bedoeld tijdvak in een vast patroon het vastgestelde aflossingsbedrag heeft betaald.
De ombudsman stelt vast dat 84 maanden in beginsel 7 jaar is, maar dat 84 maanden toch langer kunnen duren als men in die 7 jaar niet aaneengesloten maandelijks aflost.  
Ook geeft de sociale dienst aan dat als er wekelijks ontvangsten binnenkomen, deze worden toegerekend aan de betreffende maand. De ombudsman ziet dat de gemeente echter wel rekening houdt met omstandigheden zoals een te late betaling.
De beslagvrije voet blijkt kortgeleden te zijn aangepast. Dat heeft tot gevolg dat er sindsdien geen terugbetalingsruimte meer is en de resterende schuld voorlopig niet verder wordt ingevorderd.  
De ombudsman heeft om duidelijkere betalingsoverzichten gevraagd. Als die na het verbeteren van een tegenstrijdigheid door de gemeente zijn aangeleverd, blijkt daaruit dat de man 81 termijnen heeft afgelost. En verder zijn er 7 termijnen verstreken dat er niet meer werd ingevorderd, maar die wel meetellen. De gemeente ziet ook dat zij nu tot kwijtschelding kan overgaan. Voor zijn partner geldt dat er nog 9 termijnen te gaan zijn. Haar schuld bedraagt nog ruim € 9.000,-.
De ombudsman stelt vast dat de sociale dienst zich bij de berekening van deze termijnen ruimhartig heeft opgesteld. En dat is netjes.
Ten slotte meldt de sociale dienst dat de mogelijkheid voor een minnelijke schuldenregeling voor zijn andere schulden aanwezig is. En dat is wat de man graag wil.

Lening gewenst: welke schulden tellen mee? 18.1.016

Trefwoorden: informatievoorziening, bureaucratisch

Een man vraagt een lening van € 3000,- aan bij de GKB, maar deze wordt afgewezen. De man ziet echter dat de GKB in het besluit uitgaat van een te laag inkomen. Als hij de GKB daarop wijst, krijgt hij te horen dat hij een officieel heroverwegingsverzoek moet indienen. Het telefoontje is voor de GKB niet voldoende om de fout, die wordt erkend, te corrigeren. De man doet dezelfde dag nog een heroverwegingsverzoek per e-mail.
Dat de man een officieel heroverwegingsverzoek moet doen, vindt de ombudsman onnodig bureaucratisch. Temeer omdat de GKB niet heeft kunnen uitleggen waarom dit nodig is.
Enkele weken later krijgt de man te horen dat hij met de lening eerst zijn schulden (huurtoeslag, zorgtoeslag en belastingschuld) moet aflossen. Voor de terugbetaling van de toeslagen had de man echter betalingsregelingen met de Belastingdienst en over de hoogte van de belastingschuld liep een bezwaarprocedure. De man gaat onder protest akkoord met de aflossing van de huurtoeslag. Vervolgens wordt de man uitgenodigd om de stukken voor de lening te komen ondertekenen. Maar als het moment daar is, krijgt hij te horen dat hij met de lening toch ook de zorgtoeslag en belastingschuld moet aflossen. Ook wordt tegen hem gezegd dat een bedrag van € 500,- wordt ingehouden in verband met de mogelijkheid van roodstand bij zijn bank. Het hebben van deze kredietlimiet was bij eerdere aanvragen echter nooit een probleem. Door alle inhoudingen zou de man maar een klein deel overhouden voor de kosten waarvoor hij de lening heeft aangevraagd. Hij ziet daarom van de lening af.
De klacht van de man is dat hij over deze voorwaarden niet eerder is geïnformeerd. En dat er aanvullende voorwaarden (eerst schulden aflossen) worden gesteld die niet in het Bankreglement staan.

Voorwaarden
De ombudsman stelt vast dat de GKB aanvullende voorwaarden mag stellen. En de voorwaarde die de GKB stelt, is dat met de lening bestaande schulden moeten worden afgelost. Deze voorwaarde is gebaseerd op de zorgplicht zoals is verwoord in de Wet financieel toezicht. Daarmee handelt de GKB dan ook correct.
Over de reden dat alle schulden moeten worden afgelost, legt de GKB aan de ombudsman helder uit dat op deze wijze wordt voorkomen dat er meerdere aflossingen naast elkaar gaan lopen waardoor mensen in financiële problemen kunnen raken als gevolg van het krediet.
Uit het onderzoek van de ombudsman komt verder naar voren dat sinds maart 2015 de mogelijkheid om rood te staan ook als een schuld wordt gezien en bij de BKR wordt geregistreerd. Omdat de man niet rood stond, kan de ombudsman zich voorstellen dat de man niet heeft begrepen dat hij iets in moest vullen bij het woord ‘roodstand’ op het aanvraagformulier. Zij doet de gemeente daarom de aanbeveling om hierover uitleg te geven op het informatieblad en op het aanvraagformulier. De GKB mag wel als voorwaarde stellen dat de man de mogelijkheid tot roodstand moet beëindigen. Met deze voorwaarde handelt de GKB niet in strijd met de regels. De GKB legt echter niet uit waarom er € 500,- moet worden afgetrokken van de lening nu de man helemaal niet rood stond.

Informatie
Over de informatievoorziening stelt de ombudsman vast dat de GKB mensen vooraf kan informeren dat schulden en de mogelijkheid van roodstand worden meegenomen in de aanvraag. Dat de GKB vooraf niet weet of dit ook voor een specifieke situatie geldt, doet daaraan niets af. De website van de GKB vermeldt niet dat eventuele schulden uit het te verstrekken krediet moeten worden betaald. Ook het aanvraagformulier en de bijbehorende toelichting reppen hier niet over. De informatieverstrekking van de GKB is volgens de ombudsman op dit punt niet behoorlijk. Zij adviseert de GKB de informatievoorziening hierover te verbeteren.

Verzenddatum klopt niet 18.1.019

Trefwoorden: bekendmaking, bezwaar

Een man ontvangt een besluit van de gemeente met daarop een verzenddatum die 2 weken voor de datum van de werkelijke verzending (volgens de poststempel) ligt. Hierdoor heeft hij fors minder tijd om stappen te nemen, zoals het treffen van een aflossingsregeling of het indienen van een bezwaarschrift. Dat laatste moet binnen 6 weken na de datum die in het besluit is vermeld.
De ombudsman krijgt van de gemeente te horen dat het besluit de daadwerkelijke verzenddatum had moeten vermelden. Zij biedt haar excuses aan. Verder deelt de gemeente mee dat de leidinggevende de betrokken medewerker erop heeft aangesproken om te voorkomen dat het opnieuw zal gebeuren.
De ombudsman stelt vast dat de gemeente hiermee laat zien dat zij de klacht serieus neemt. Verder constateert zij dat uit de door de gemeente toegezonden stukken blijkt dat de man tijdig bezwaar heeft ingediend. Zij concludeert dat de late verzending daarmee geen nadelige gevolgen voor hem heeft gehad.

Zoekgeraakte stukken 18.1.025

Trefwoorden: ontvangstbevestiging, bewijs


Een moeder vertelt dat zij voor haar dochter stukken heeft ingeleverd bij de sociale dienst. Dit naar aanleiding van haar aanvraag bijzondere bijstand. Er is toen een datumstempel op gezet, maar de medewerker meldt ook dat er nog een stuk ontbreekt. Dat stuk hebben moeder en dochter thuis opgezocht en vervolgens ook bij de sociale dienst ingeleverd.Tot hun grote verbazing meldt de sociale dienst kort daarna dat die geen enkel stuk heeft ontvangen. Moeder stelt dat dit niet klopt, ze heeft alle stukken persoonlijk afgegeven. Ze heeft echter geen ontvangstbevestiging gevraagd, ze wist niet dat dit kon.  
Na uitvoerig onderzoek moet de ombudsman vaststellen dat de stukken niet zijn achterhaald bij de sociale dienst. Moeder en dochter hebben niet kunnen aangeven welke stukken ze hebben ingeleverd en wanneer ze dit hebben gedaan. Uiteindelijk wordt de aanvraag wegens het ontbreken van de stukken niet meer in behandeling genomen. De sociale dienst gaat ervan uit dat de stukken niet zijn afgegeven. Of dat terecht is, is onderwerp van de bezwaarprocedure. De ombudsman wijst de gemeente en de vrouw op het belang van ontvangstbevestigingen. Dat voorkomt later veel gezoek en een welles-nietes situatie.

Zoon in de problemen 18.1.026

Trefwoorden: dakloos, uitkering, woningdeler, schulden

Een moeder vertelt dat haar zoon door omstandigheden twee jaar geleden dakloos is geworden. Om zijn leven weer op orde te krijgen heeft hij een uitkering nodig. Van de sociale dienst heeft hij te horen gekregen dat hij naar het Leger des Heils moet voor opvang. Maar het Leger des Heils wil hem niet opvangen, omdat hij geen uitkering heeft. Tijdens het spreekuur voor dak- en thuislozen is haar zoon opnieuw verteld dat hij geen uitkering kan krijgen als hij niet in de opvang zit. Ook bij het WIJ-team komen ze niet verder aangezien het WIJ-team hetzelfde van de sociale dienst te horen krijgt. Maar de opvang is voor haar zoon niet geschikt. Moeder vraagt hoe haar zoon toch een uitkering kan aanvragen.
Uit het onderzoek komt naar voren dat de zoon feitelijk (deels) bij zijn moeder verblijft. Hij kan een uitkering aanvragen als hij zich bij de gemeente laat inschrijven op het adres van moeder waar hij feitelijk woont. De gemeente heeft uitgezocht welke consequenties dat heeft voor de uitkering van haar andere inwonende zoon. Die zal met ongeveer € 70,- worden verlaagd.
Met deze uitleg heeft de sociale dienst duidelijkheid gegeven over de stappen die haar zoon moet zetten om op korte termijn een uitkering te kunnen krijgen. Het is nu aan haar zoon om hierover een beslissing te nemen.
Moeder bedankt voor de hulp en tussenkomst van de ombudsman. Ze laat weten dat haar zoon vrees heeft voor de deurwaarder in verband met schulden. Daarvoor verwijst de ombudsman hen naar het Juridisch Loket voor advies.

Onduidelijke situatie roept vragen op 18.1.027

Trefwoorden: uitkering, informatie

Een dak- en thuisloze man wil graag een uitkering ontvangen. Van de sociale dienst krijgt hij te horen dat hij daarvoor in het slaaphuis moet slapen. Na hier enkele nachten te hebben geslapen, vraagt de man op in december 2017 een uitkering aan. Tijdens een gesprek vertellen twee medewerkers van de sociale dienst de man vervolgens dat hij een verklaring van zijn verhuurder moet inleveren bij wie hij van oktober 2016 tot augustus 2017 verbleef, eerst als huurder later als logé. Dit doet de man. Maar volgens de man wordt hem dan gezegd dat hij niet eerlijk is. Hij moet eerst vertellen waar hij de afgelopen maanden van heeft geleefd. De man begrijpt niet waarom hij niet eerlijk zou zijn. Hij heeft de sociale dienst immers verteld dat hij bij het slaaphuis en bij vrienden en familie at.
De ombudsman legt de klacht voor aan de sociale dienst en vraagt ook of de man een voorschot zou kunnen krijgen.
De sociale dienst meldt de ombudsman dat de uitkering van de man per 1 april 2017 is beëindigd, omdat hij destijds volgens een bericht van zijn verhuurder in maart 2017 is vertrokken. Tijdens de gesprekken over zijn aanvraag geeft de man echter aan dat hij tot augustus 2017 op het adres van zijn verhuurder verbleef. En dat hij daarna naar Frankrijk en Italië is gegaan. De man heeft een verklaring ingeleverd van de verhuurder. Bij navraag door de sociale dienst bleek deze verklaring niet van de verhuurder afkomstig te zijn. De verhuurder heeft dit toen op de verklaring geschreven en dit ook ondertekend. Omdat de man ondanks herhaaldelijke verzoeken weigert om duidelijkheid te geven over zijn verblijf in het buitenland en zijn financiële situatie, kan hij geen uitkering en dus ook geen voorschot krijgen.
De ombudsman constateert ook zelf dat de handtekening op de door de man ingeleverde verklaring afwijkt van de handtekening van de verhuurder. Zij stelt vast dat hiermee duidelijk is dat de man onjuiste informatie heeft verstrekt aan de sociale dienst. En dat de man daarmee terecht is geconfronteerd. Verder stelt zij vast dat de sociale dienst de overige informatie nodig heeft om te kunnen beoordelen of de man recht heeft op een uitkering. En dat hij geen uitkering krijgt, zolang hij die informatie niet verstrekt.

Spoedaanvraag bijzondere bijstand voor griffierechten 18.1.030

Trefwoorden: aanvraag, afhandelingstermijn, terugbelverzoek, bejegening

Een man heeft op 1 februari een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor het kunnen betalen van griffierechten. Hij moet deze griffierechten uiterlijk 28 februari betalen, zo heeft de rechtbank hem laten weten. Doet hij dat niet, dan kan hij niet procederen.
De man heeft 3x telefonisch contact gehad met de klantenservice van de gemeente. Twee keer is het terugbelverzoek dat hij heeft gedaan niet nagekomen. Als de man voor de 3e keer belt met de klantenservice verloopt dat gesprek ongelukkig. Hij krijgt namelijk zonder aankondiging ineens een medewerker van bijzondere bijstand aan de lijn. Deze medewerker stelt zich volgens de man bot en formeel op en verschuilt zich achter de wettelijke behandeltermijn van 8 weken.
Daarop heeft de man een klacht ingediend, maar als hij in het automatische antwoord leest dat de behandeling daarvan 6 weken kan duren wendt de man zich tot de ombudsman. Die vraagt de gemeente of het mogelijk is dat de man uiterlijk de volgende dag (27 februari) uitsluitsel krijgt over zijn aanvraag bijzondere bijstand. Dat blijkt te lukken. De volgende dag wordt de bijstand toegekend en het geld tijdig overgemaakt naar de rechterlijke instantie. De man is blij met deze interventie.
In het latere klachtonderzoek erkent de gemeente dat zij de terugbelverzoeken niet goed heeft opgepakt. En ook dat dit vanwege de urgentie van de vraag, extra vervelend is geweest. De gemeente biedt hiervoor haar excuses aan.
Ten aanzien van de inhoud van het 3e gesprek zijn de gemeente en de man het deels met elkaar eens, maar deels ook niet. Omdat de ombudsman er niet bij is geweest, kan zij daar geen oordeel over uitspreken.
Wel kondigt de ombudsman aan te gaan volgen hoe de gemeente in toekomstige gevallen omgaat met terugbelverzoeken omdat de gevolgen van niet terugbellen voor burgers vervelend kunnen zijn.

Nadere informatie is nodig 18.1.031

Trefwoorden: budgetbeheer, volmacht, zorgplicht

Een man is in budgetbeheer bij de GKB. Eind december 2017 komt de man erachter dat de GKB de renovatievergoeding, die hij van de woningbouwvereniging heeft ontvangen, heeft ingehouden. Ook houdt de GKB zijn huur- en zorgtoeslag in. De man ontvangt slechts € 40,00 leefgeld per week.
Hij dient een klacht in bij de gemeente over de inhoudingen. Verder vraagt hij om een duidelijk overzicht van de manier waarop zijn budgetbeheer wordt uitgevoerd. Ook wil hij graag weten of er buiten zijn medeweten sprake is van een aflossing van schulden of schuldhulpverlening.
Van de gemeente krijgt de man te horen dat hij tijdens een gesprek bij de GKB in het bijzijn van zijn hulpverlener van de MJD een budgetplan en een volmacht heeft ondertekend. Daarmee heeft hij de GKB toestemming gegeven om al zijn inkomsten in ontvangst te nemen, dus ook de huur- en zorgtoeslag en de renovatievergoeding. De GKB hoeft niet voor iedere betalingsregeling of andere aflossing met de man te overleggen. Omdat er binnen zijn budget geen ruimte is voor een regeling heeft de GKB besloten om de renovatievergoeding te gebruiken voor de aflossing van de huurachterstand.
De man is niet tevreden met de reactie van de gemeente en wendt zich via een gemachtigde tot de ombudsman. Deze stelt dat de man niet de betekenis heeft kunnen begrijpen of de gevolgen heeft kunnen overzien van de volmacht. Hij spreekt Frans en zijn kennis van het Nederlands is onvoldoende om eenvoudige teksten te kunnen begrijpen.
Daarnaast is hij van mening dat het budgetbeheer te strikt wordt toegepast, omdat de schuldenlast niet aan de man kan worden toegerekend. De schulden zijn volgens hem ontstaan door toedoen door Humanitas en Helios. Volgens de man zijn deze zorg- en hulpverleners en ook de gemeente die de instanties heeft ingeschakeld op basis van haar zorgplicht aansprakelijk voor de schade. Hij verzoekt de ombudsman om een onderzoek in te stellen naar de herkomst, samenstelling en hoogte van de schulden en betalingsachterstanden.
De ombudsman is slechts bevoegd om een deel van zijn klachten in onderzoek te nemen. Als meneer de hiervoor nodige extra informatie niet levert, ook niet na een herinnering, sluit de ombudsman het dossier.

Onnodige gegevens opgevraagd 18.1.033

Trefwoorden: aanvraag, uitkering, terugwerkend

Een man beklaagt zich erover dat de gemeente zijn aanvraag om een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht probeert te ontmoedigen. De sociale dienst heeft besloten dat hij de Bbz-uitkering, die hij in 2016 in de vorm van een lening ontving, terug moet betalen. De man is van mening dat zijn inkomen in het laatste kwartaal van 2016 onder de bijstandsnorm was en hij over die periode dus in aanmerking zou moeten komen voor een bijstandsuitkering.
Nadat een medewerker van de sociale dienst eerst heeft gemeld dat hij daarvoor een aanvraag in kan dienen, krijgt hij kort daarna tot zijn verbazing een e-mail dat zijn aanvraag niet in behandeling genomen wordt omdat hij al bijna een jaar een uitkering heeft. Zijn aanvraag gaat echter over een periode daarvoor.
De man dient over het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag een klacht in. De gemeente reageert daarop met excuses. En de mededeling dat de aanvraag alsnog in behandeling zal worden genomen. Hiermee is de man tevreden totdat hij twee brieven van dezelfde datum ontvangt van de sociale dienst.
In de ene brief schrijft de sociale dienst dat die nog niet alle gegevens heeft die nodig zijn om zijn aanvraag te kunnen behandelen. De man meent echter dat de sociale dienst de meeste gegevens al in zijn bezit heeft, zoals een geldig legitimatiebewijs, inschrijfbewijs zorgverzekeraar en een cv. Daarnaast vraagt de sociale dienst om bankafschriften over een geheel andere periode dan waar de aanvraag betrekking op heeft. Ten slotte wil de sociale dienst een verklaring taaleis, terwijl de door de man genoten opleidingen al bekend zijn bij de gemeente.
In de andere brief staat ook dat de sociale dienst nog nadere gegevens van de man nodig heeft. Maar nu vraagt de sociale dienst over een andere periode gegevens op. Deze periode is ook niet de periode waarover de aanvraag gaat.
De man vindt het niet correct dat de sociale dienst hem om gegevens vraagt die de dienst al in zijn bezit heeft. Hij ervaart dit als ‘een ontmoedigingsbeleid’. Zoveel mogelijk documenten opvragen en vervolgens ook nog weinig tijd geven om die in te leveren (8 dagen).
De gemeente laat de ombudsman weten dat het opvragen van stukken die er al zijn, niet had gemoeten. Het is te wijten aan de onervarenheid van de medewerker die deze aanvraag wilde afhandelen. Ondanks de waarschuwing die de klachtenfunctionaris vooraf gaf dat het om een complexe aanvraag gaat. Hij zal dit voorval bespreken met de leidinggevende van betrokken medewerkers. De gemeente biedt opnieuw excuses aan voor de gang van zaken.
Nu de gemeente aangeeft dat de zaak intern zal worden besproken, is de ombudsman van mening dat dit in toekomstige gevallen niet opnieuw hoeft te gebeuren. Daarmee is de klacht zinvol geweest, ook voor anderen en dat was de intentie van de man.
Bij afronding van dit onderzoek is inmiddels over de aanvraag beslist. En tegen dat besluit kan de man bezwaar indienen als hij het er niet mee eens is.

Antwoord laat op zich wachten 18.1.035

Trefwoorden: reactietermijn, voortvarendheid

Een gemachtigde beklaagt zich er bij de ombudsman over dat de gemeente niet heeft gereageerd op haar brief van oktober 2017 betreffende een verzoek tot wijziging van een akte van schuldbekentenis, ondanks haar 2 herinneringen in januari en februari 2018.
De gemeente deelt de ombudsman mee dat zij ervan uitgaat dat de brieven niet zijn beantwoord. De behandelend medewerker zou een e-mail hebben gestuurd, maar deze is niet terug te vinden. Als reden voor het uitblijven van een reactie geeft de gemeente een achterstand in de verwerking van poststukken.
Dit vindt de ombudsman geen rechtvaardiging. Zij is van oordeel dat de gemeente niet voortvarend heeft gehandeld. Zeker omdat de gemachtigde in de eerste brief heeft gemeld dat zij op korte termijn informatie aan de rechtbank moest verstrekken. En daarna nog 2 herinneringen heeft gestuurd, waarin zij een reactietermijn heeft gegeven van een week. Tijdens het onderzoek van de ombudsman heeft de gemeente alsnog gemotiveerd aangegeven dat zij niet tegemoet kan komen aan het verzoek tot wijziging van de akte. De ombudsman is van oordeel dat de gemeente uiteindelijk het verzoek hiermee inzichtelijk heeft beantwoord.

‘Gehuwd met een bijstandsuitkering’ 18.1.042

Trefwoorden: informatievoorziening, reactietermijn, terugvordering, terugbelverzoek

Een gehuwde man met een uitkering voor marginaal zelfstandigen ontvangt halverwege oktober 2017 een brief van de gemeente waarin staat dat hij ‘waarschijnlijk recht heeft op teruggaaf van de Algemene heffingskorting minstverdienende partner’. In deze brief (‘U bent gehuwd met een bijstandsuitkering’) wordt hem geadviseerd deze teruggaaf bij de Belastingdienst aan te vragen. Ook als hij dat niet doet, gaat de gemeente dit met ingang van 1 november 2017 verrekenen met zijn uitkering. De gemeente baseert zich daarbij op een wettelijke verplichting. Voor de man was dit geheel nieuw en hij vindt de termijn waarbinnen hij moet handelen erg kort.
De man heeft direct een aanvraag gedaan, maar die wordt afgewezen door de Belastingdienst. Een week later ontvangt de man toch een besluit van de gemeente dat hij te veel uitkering heeft ontvangen en dat er € 430,80 wordt teruggevorderd. Als hij niet uiterlijk 31 december 2017 heeft betaald, wordt de schuld vanaf dan gebruteerd. Eén dag later ontvangt zijn vrouw een vervolgbrief die zegt dat de betaling nog eerder, namelijk uiterlijk 12 december moet zijn overgemaakt, om tijdig te kunnen worden verwerkt.
De man schrikt erg, want het gaat voor hem om een behoorlijk bedrag en ook deze termijn is erg kort. Op basis van nadere informatie van de sociale dienst doet de man een nieuwe aanvraag, maar ook die wordt afgewezen door de Belastingdienst. Om brutering te voorkomen zit er voor de man niets anders op dan het bedrag te betalen. De man is van mening dat hij onjuist is geïnformeerd door de gemeente. Hij voelt zich van het kastje naar de muur gestuurd en niet serieus genomen. Het is hem ook opgevallen dat hij verschillende keren niet binnen de toegezegde 24 uur is teruggebeld door de medewerker van de sociale dienst.
De gemeente laat de ombudsman weten dat de klacht op alle punten gegrond is. Zij heeft de situatie niet goed ingeschat. Er is geen rekening gehouden met het feit dat de man al meerdere jaren onder de regeling Marginaal Zelfstandigen valt. Ook erkent de gemeente te zijn tekortgeschoten in de informatievoorziening en heeft zij de man onvoldoende tijd gegund om de benodigde maatregelen te (kunnen) treffen. De gemeente biedt hiervoor haar excuses aan en dat is netjes. De leidinggevende gaat de zaak met de medewerker bespreken en daarmee wordt de kans kleiner dat dit nogmaals gebeurt.
De ombudsman stelt ten slotte vast dat de gemeentelijke registratie van de telefonische contacten/terugbelverzoeken niet volledig is. Dat is niet correct. Dat de gemeente hiervoor haar excuses aanbiedt, is dan ook netjes.

Inmiddels heeft de gemeente een heroverwegingsbesluit genomen waarin het oorspronkelijke besluit vervallen wordt verklaard. De man laat weten dat hij het ten onrechte betaalde bedrag terug heeft gekregen van de gemeente. Daarmee komt de zaak weer op zijn pootjes terecht.

Uitkering geblokkeerd, maar waarom? 18.1.046

Trefwoorden: rechtmatig verblijf, IND

Een vrouw vertelt dat ze 17 jaar geleden naar Nederland is gekomen voor de liefde. Toen de relatie na 10 jaar eindigde, raakte ze dakloos. Het heeft ongeveer 5 jaar geduurd voordat ze een eigen huisje had en een uitkering. Soms heeft ze een tijdelijke baan. De reden dat ze bij de ombudsman komt, is dat haar bijstandsuitkering al 4 maanden is geblokkeerd. Ze is bang dat ze binnenkort uit haar huis moet. De IND speelt een rol, maar welke rol weet de vrouw niet precies.
Vanwege de dringende financiële problemen, neemt de ombudsman contact op met de gemeente en met de advocaat van de vrouw.
De gemeente laat weten dat de uitkering is geblokkeerd omdat de IND heeft laten weten dat de vrouw sinds 4 maanden niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijft. Dat heeft gevolgen voor de uitkering. Een uitkering mag namelijk alleen worden verstrekt aan iemand die rechtmatig in Nederland verblijft. De beslissing of iemand rechtmatig in Nederland verblijft, is niet aan de gemeente maar aan de IND.
Dat betekent dat de gemeente volgens de regels handelde toen zij de uitkering blokkeerde. Of de IND een correct besluit heeft genomen, is onderwerp van een procedure bij de rechter.
De advocaat van de vrouw laat weten dat de situatie anders wordt als de vrouw gaat werken. Als ze tenminste 16 uur per week werkt en minimaal € 500,- per maand verdient, wordt de vrouw ‘economisch actief’. Als haar inkomen dan nog onder de bijstandsnorm is, zou de vrouw recht kunnen hebben op een aanvullende uitkering. De ombudsman informeert de vrouw over deze mogelijkheid en adviseert haar om het te melden bij haar advocaat en de sociale dienst als ze werk heeft gevonden.

Uit de impasse 18.1.052

Trefwoorden: uitkering, verblijf, dakloos

Een man probeert al maanden tevergeefs met hulp van zijn begeleider van Werkpro een bijstandsuitkering te krijgen. Met een uitkering zou de man ook weer een ziektekostenverzekering kunnen krijgen en kan hij eindelijk terecht bij instanties die hem met zijn problematiek kunnen helpen. De sociale dienst wil hem echter geen uitkering verstrekken omdat de man geen vaste verblijfplaats heeft. Hij verblijft gewoon in Groningen, daar kan zijn begeleider voor instaan want die ziet hem wekelijks. Toch moet de man van de sociale dienst naar de nachtopvang. Dat heeft hij enkele nachten gedaan. Langer verblijf was niet mogelijk, dat wordt ook bevestigd door de nachtopvang. De man is daarvoor te kwetsbaar. Toch krijgt de man geen uitkering en moet hij vervolgens 2 logeeradressen geven aan de sociale dienst. Ook dat doet hij, maar dan blijkt dat niet voldoende. Er moet nog een 3e adres komen. De man en zijn begeleider vragen zich af wanneer het stellen van nieuwe eisen ophoudt. Zij weten niet hoe ze uit de impasse met de sociale dienst moeten komen.
De ombudsman legt de kwestie, tezamen met het gevraagde 3e adres voor aan de sociale dienst. Na veel contacten over en weer meldt de sociale dienst na 10 dagen dat de man, rekening houdend met zijn bijzondere situatie, een uitkering krijgt. Nu kan de man met ondersteuning van zijn begeleider verder en dat is fijn. Hiermee beëindigt de ombudsman haar bemoeienissen. Zij bedankt de klachtenfunctionaris voor zijn inzet in deze kwestie.

Werken wordt ontmoedigd (1) 18.1.054

Trefwoorden: informatieverstrekking, voorlichting, verrekening, inkomen

Een uitkeringsgerechtigde vindt een baan bij een taxibedrijf. Hij krijgt een 0 tot 30 urencontract. Hij weet van tevoren niet hoeveel uur hij zal werken en wat hij dus gaat verdienen. Zijn salaris wordt indien nodig aangevuld tot bijstandsniveau (€ 992,12). Zijn eerste salaris over februari (€ 423,-) ontvangt de man op 23 maart. Zijn salaris over maart was zo’n € 1000,- en ontvangt hij op 23 april. Nu zegt de sociale dienst dat de man in februari en maart te veel uitkering heeft ontvangen en dat moet terugbetalen. De man is van mening dat hij niet heeft gevraagd om meer uitkering dan waar hij recht op heeft. Daar komt nog bij dat hij te weinig verdient om dit gat te kunnen dichtlopen. Zijn salaris is nèt boven bijstandsniveau en daarvan moet hij elke maand opnieuw ook zijn vaste lasten betalen.
De man beklaagt zich erover dat hij hiervoor niet van tevoren is gewaarschuwd. Hij had dan misschien een schatting kunnen geven en een lagere vordering gehad. Hij vindt dat op deze wijze het werken wordt ontmoedigd.
De sociale dienst laat de ombudsman weten dat de algemene systematiek is dat de inkomsten worden toegerekend aan de maand waarin het is verdiend. Niet aan de maand waarin het geld daadwerkelijk wordt ontvangen. Als men dus pas later het salaris ontvangt dan kunnen de inkomsten niet in dezelfde maand worden gekort. Dat zal dan achteraf moeten gebeuren. Dit betekent dat de uitkering van die maand moet worden herberekend. Pas dan kan blijken dat iemand teveel uitkering heeft ontvangen. Het bedrag dat teveel is ontvangen, wordt met de uitkering van de daaropvolgende maand(en) verrekend.
Hoewel de sociale dienst laat weten dat deze systematiek verschillende keren aan de man is uitgelegd, blijkt uit zijn klacht dat het hem toch niet duidelijk is. De ombudsman is van mening dat bij deze onduidelijkheid een uitnodiging voor een gesprek bij de sociale dienst voor de hand had gelegen. Ook blijkt uit de informatie van de sociale dienst dat er geen voorlichting wordt gegeven op het moment dat iemand een (parttime) baan aanvaardt. Dit gebeurt alleen op het moment dat iemand een uitkering krijgt. En dat kan al geruime tijd daarvoor zijn geweest. Volgens de gemeente is de informatie over de inkomstenkorting op de gemeentesite te vinden. Maar de ombudsman vindt deze informatie niet. Over het korten op de uitkering, eventuele inkomstenvrijlatingen en de verrekeningssystematiek wordt op de website niet gesproken.
Naar aanleiding van deze klacht heeft de sociale dienst laten weten te zullen zorgen voor betere voorlichting. Daarmee wordt de klacht serieus genomen. De ombudsman zal de uitvoering van deze toezegging met belangstelling volgen. Zij wijst de sociale dienst daarbij op de recent gepubliceerde ‘Werkwijzer Verrekening parttime inkomsten’ van Divosa.
In de herberekeningen van de uitkering van de man heeft de ombudsman geen fouten kunnen ontdekken. De sociale dienst heeft de vordering inmiddels met het vakantiegeld van de man verrekend. Hoewel de man dit niet graag wilde omdat hij al een andere bestemming had voor het vakantiegeld, is dit toegestaan.
De ombudsman stelt vast dat noch de man, noch de sociale dienst hier een fout heeft gemaakt. Dat de man vindt dat de sociale dienst door deze gang van zaken het werken ontmoedigt, kan de ombudsman zich voorstellen. Om die reden is het belangrijk dat er sprake is van een goede voorlichting zodat cliënten goed voorbereid zijn als zij gaan werken.

Werken wordt ontmoedigd (2) 18.1.055

Trefwoorden: informatieverstrekking, voorlichting, dienstverlening, verrekening, inkomen

Een uitkeringsgerechtigde vrouw vindt half november 2017 een baan voor 24 uur per week. Gelet op haar inkomen heeft ze recht op een aanvullende bijstandsuitkering. Vanaf januari 2018 wordt de vrouw onverwacht geconfronteerd met verrekeningen en vorderingen van de sociale dienst. Hierdoor ontvangt ze vanaf januari geen aanvullende uitkering meer, terwijl haar inkomen (€ 871,25) onder bijstandsniveau is (€ 992,12). Volgens de sociale dienst zou de vrouw een maand uitkering te veel hebben ontvangen. De vrouw begrijpt dit niet en de sociale dienst kan dit haar ook niet uitleggen. Bovendien doet ze sinds 1 november 2017 mee aan het project ‘Bijstand op maat’. In dat kader mag ze 2 jaar lang 50% van haar (bij)verdiensten houden tot maximaal € 199,- per maand. Ze vraagt zich af of de sociale dienst hier wel rekening mee heeft gehouden. Tot overmaat van ramp krijgt ze op 3 maart van zorgverzekeraar Menzis te horen dat de sociale dienst haar premie over de maanden januari, februari en maart niet heeft betaald en of ze een bedrag van € 403,53 wil overmaken. De vrouw wist dit niet en het geld heeft ze niet. De vrouw voelt zich gestraft voor het feit dat ze is gaan werken.
De sociale dienst legt de ombudsman allereerst uit dat het salaris wordt toegerekend aan de maand waarin het is verdiend en niet waarin het wordt ontvangen (zie ook 18.1.054).
De vrouw heeft vooraf aangegeven dat haar loon een maand later wordt uitbetaald en ze heeft gevraagd of dat een probleem zou vormen voor haar aanvullende bijstand. Ze kreeg van de sociale dienst te horen dat dit niet het geval was. Nu ze wel problemen ervaart, laat de sociale dienst aan de  ombudsman weten dat de vrouw, toen ze ernaar vroeg, uitleg had moeten krijgen dat haar inkomsten zouden worden verrekend en hoe dat zou gebeuren. De sociale dienst erkent in zijn dienstverlening te zijn tekortgeschoten.
Ook zou de informatie over de inkomstenkorting op de gemeentesite te vinden zijn. Maar de ombudsman vindt deze informatie niet (zie ook 18.1.054). Naar aanleiding van deze klacht heeft de sociale dienst laten weten te zullen zorgen voor betere voorlichting. Daarmee wordt de klacht serieus genomen. De ombudsman zal de uitvoering van deze toezegging met belangstelling volgen. Zij wijst de sociale dienst daarbij op de recent gepubliceerde ‘Werkwijzer Verrekening parttime inkomsten’ van Divosa.
Als de ombudsman de herberekeningen controleert, blijkt er een te hoog bedrag te worden teruggevorderd. De sociale dienst corrigeert dit door het sturen van een nieuw besluit. Over maart blijkt de sociale dienst de premie voor Menzis te hebben ingehouden, maar niet te hebben betaald aan Menzis. Daardoor moet de vrouw deze premie ook nog aan Menzis overmaken. Hierover laat de sociale dienst weten dat de ingehouden Menzispremie op een soort tussenrekening is geboekt. Waarom deze niet is overgemaakt naar Menzis kan de sociale dienst niet uitleggen. De sociale dienst heeft toegezegd de ingehouden premie alsnog naar de vrouw over te maken. Op 26 februari krijgt de vrouw bericht van Menzis dat ze vanaf 1 januari. zelf de premie aan Menzis moet betalen. De vrouw vindt dat de sociale dienst haar hierover niet tijdig heeft geïnformeerd en nu zit ze met een achterstand in de betaling van de premies. Hierover meldt de sociale dienst aan de ombudsman dat dit een terechte klacht is van de vrouw.
De ombudsman concludeert dat de sociale dienst in de informatievoorziening over de toerekening, herberekening en verrekening van de (aanvullende) uitkering te kort is geschoten. De vrouw had meer bij de hand genomen moeten worden. Daarnaast heeft de sociale dienst fouten gemaakt in de herberekening van de aanvullende uitkering en is in eerste instantie te veel teruggevorderd. Verder kreeg de vrouw te maken met achterstallige premiebetalingen omdat de sociale dienst haar niet tijdig informeerde dat die de premie niet meer betaalde.  Al met al kan de ombudsman zich voorstellen dat de vrouw zich gestraft voelt voor het feit dat ze is gaan werken.
Ten slotte constateert de ombudsman dat een goede voorlichting nodig is om te voorkomen dat cliënten verrast worden door de verrekeningsmethodiek die de sociale dienst hanteert. De sociale dienst heeft toegezegd te zullen zorgen voor een betere voorlichting, hetgeen de ombudsman met belangstelling zal volgen.

Net op tijd aan de bel getrokken 18.1.061

Trefwoorden: vakantiegeld, beslagvrije voet

Een man komt eind mei bij de ombudsman. Hij vertelt dat het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) beslag heeft gelegd op zijn uitkering. In april heeft het LBIO, na door te man daarop te zijn gewezen, erkend dat zij de beslagvrije voet te laag hadden vastgesteld. Het LBIO heeft deze verhoogd van € 892,91 naar € 1.044,47. De man constateert dat zijn uitkering inclusief vakantiegeld (€ 992,12) nu onder de beslagvrije voet komt. En dat hij dit jaar daarom weer zelf zijn vakantiegeld zou moeten ontvangen.
Hierover heeft hij contact opgenomen met de sociale dienst. Daar kreeg hij echter te horen dat de sociale dienst verplicht is het vakantiegeld over te maken naar het LBIO. Nu en in de komende jaren. Volgens de man is dat niet juist. De man heeft het vakantiegeld heel hard nodig en is bang dat als zijn vakantiegeld eenmaal is overgemaakt aan het LBIO, hij het niet meer terugkrijgt.
In de eerste plaats vraagt de ombudsman aan de gemeente de uitbetaling van het vakantiegeld van de man op te schorten. Verder komt uit het onderzoek van de ombudsman naar voren dat de vakantietoeslag, ongeacht hoe deze wordt uitbetaald, elke maand wordt meegenomen in de berekening van de beslagvrije voet (artikel 475d Rv.). Kortom, beslag op vakantiegeld mag niet als het inkomen (inclusief de aanspraak op vakantiegeld) beneden de beslagvrije voet blijft.
De gemeente laat al snel weten dat de man zijn vakantiegeld zelf gaat ontvangen en dat er vanaf mei geen inhouding meer plaatsvindt op zijn uitkering. Wel vraagt de gemeente zich af hoe het LBIO aan een beslagvrije voet komt van € 1044,45 terwijl de beslagvrije voet in zijn geval € 992,12 zou moeten zijn.
De ombudsman ziet op de kopie van de nieuwe berekening van het LBIO dat de beslagvrije voet als volgt is berekend. De basisbeslagvrije voet ad € 892,91 + ‘meerwoonkosten’ ad € 48,89 + ‘correctie beslagvrije voet in verband met hogere ziektekosten’ ad € 102,67. Samen is dat € 1.044,47.  
Met de voor de man positieve reactie van de sociale dienst eindigen de bemoeienissen van de ombudsman.

Meer informatie nodig 18.1.063

Trefwoorden: uitkering, voorschot

Een man vraagt een uitkering aan. Nadat hij eerst nadere gegevens heeft moeten inleveren, komen 2 medewerkers van de sociale dienst bij hem op huisbezoek. Daarna wordt hem gevraagd om de bankafschriften van zijn beleggingsrekening over een heel jaar in te leveren. Maar de man stelt dat hij de rekening alleen heeft om te leren beleggen. Hij kan dan kijken hoe de waardes veranderen. De man heeft nooit geld op de rekening gestort, want dat heeft hij niet. Hij levert een jaaroverzicht in en bankafschriften van zijn gewone rekening. Vervolgens nodigt de sociale dienst de man uit voor een gesprek. Omdat er dan al ruim 3 maanden zijn verstreken en de man in geldnood komt, gaat de man naar de ombudsman. De man vermoedt dat de sociale dienst de aanvraagprocedure vertraagt. Hij vertelt dat hij al eens een voorschot heeft aangevraagd, maar dat dit is afgewezen.
De ombudsman vraagt de sociale dienst of er nu wél een voorschot kan worden verstrekt. Die laat weten dat inmiddels vaststaat dat de man niets met zijn beleggingsrekening doet. Maar een voorschot wil de sociale dienst niet geven, omdat nog niet duidelijk is of de man wel recht heeft op een uitkering. Om dat te kunnen vaststellen heeft de sociale dienst meer informatie van de man nodig. Daarvoor dient het geplande gesprek. De ombudsman stelt de man hiervan op de hoogte. Hij zal toch het gesprek moeten afwachten.

Wijziging komt uit de lucht vallen 18.1.066

Trefwoorden: eigen bijdrage, bijzondere bijstand, Wmo, informatieverstrekking, coulance

Een vrouw vertelt dat ze 2,5 uur huishoudelijke hulp per week heeft. Ze moet hiervoor een eigen bijdrage betalen. Omdat de vrouw dat niet kan betalen, ontvangt ze hiervoor bijzondere bijstand. In ieder geval in 2016 en 2017 was dat zo. Op 27 maart levert de vrouw nieuwe nota’s in bij de sociale dienst. Omdat het om kleine bedragen gaat, verzamelt ze er altijd een aantal. Op 23 mei ontvangt de vrouw een brief, waarin staat dat de nota over januari (nog) niet vergoed kan worden, omdat de bijzondere bijstand is toegekend tot en met 31 december 2017. Het inleveren van de nota wordt gezien als een nieuwe aanvraag die echter op 1 juni wordt afgewezen. De reden is dat dit binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geregeld moet worden. De vrouw heeft gehoord dat ze een nieuwe Wmo-indicatie moet krijgen, maar ze heeft nog een lopende indicatie voor 2018. De afwijzing komt voor de vrouw uit de lucht vallen. Ze heeft geen informatie gekregen over een wijziging van de regels. Bovendien heeft ze over februari wél € 30,- uitgekeerd gekregen van de sociale dienst. Dit blijkt uit de specificatie van maart. De vrouw begrijpt ook niet wat de reden is van de wijziging. Ze heeft contact gehad met verschillende medewerkers van de sociale dienst, maar ze krijgt niet de voor haar noodzakelijke duidelijkheid.

Als de ombudsman onderzoek instelt, wordt het volgende duidelijk. Tot 2014 mocht er bijzondere bijstand worden verstrekt voor de wettelijke eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp. Daarná was dit volgens de wettelijke regels niet meer mogelijk. Dit geldt in ieder geval voor huishoudelijke hulp in de vorm van een algemene voorziening. Als iemand deze eigen bijdrage niet kan betalen, moet dat opgelost worden binnen de Wmo.
Voor de huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening Wmo heeft de gemeente echter haar eigen beleid vastgesteld, op grond waarvan toch bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Per 1 mei 2018 zijn deze beleidsregels echter gewijzigd. De vrouw heeft een algemene voorziening en had daarom geen recht op de bijzondere bijstand die ze over 2016 en 2017 heeft ontvangen. Ook over 2018 mag de sociale dienst haar volgens de regels geen bijzondere bijstand geven. Ze zou binnen de Wmo naar een oplossing moeten zoeken. Maar omdat van haar niet kan worden verwacht dat ze dit voor 2018 nu nog regelt, blijft de sociale dienst uit coulance de bijzondere bijstand over 2018 toch nog aan haar uitbetalen. De sociale dienst biedt excuses aan voor de tekortschietende voorlichting. De ombudsman vindt dit netjes.
Vanaf 2019 vervalt de bijzondere bijstand wel. Dan moet er worden bekeken wat er binnen de Wmo mogelijk is. De gemeente laat weten dat na 1 januari 2019 de landelijke regels voor de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening hoogstwaarschijnlijk zullen wijzigen. Daardoor is nog onduidelijk wat dit voor de vrouw precies gaat betekenen. De ombudsman adviseert de vrouw om begin december contact op te nemen met het WIJ-team over haar huishoudelijke hulp en een eventuele maatwerkvoorziening.

Veel klachten, geen mediation 18.1.067

Trefwoorden: ontvankelijkheid, mediation

Een man legt een aantal klachten neer bij de ombudsman. De gemeente ontvangt een kopie hiervan. De klachten hebben betrekking op gedragingen van 2 medewerkers van de gemeente.
Zoals gebruikelijk bestudeert de ombudsman eerst de meegestuurde stukken. Daaruit blijkt dat er na afronding van een eerder klachtonderzoek door de ombudsman in 2016 diverse procedures bij andere instanties zijn gevolgd en nog lopen. Een aantal van de genoemde klachten is in die procedures al aan de orde (geweest). Om die reden neemt de ombudsman deze klachten niet in behandeling. Andere klachtonderdelen betreffen gedragingen van langer geleden of zijn kennelijk gegrond. Om die redenen neemt de ombudsman ook die onderdelen niet in onderzoek.
De gemeente doet vanwege de hoeveelheid van procedures die ook nog niet allemaal zijn afgerond een voorstel voor mediation. De ombudsman legt dit voor aan de klager. Die reageert echter niet op het voorstel. De ombudsman stelt vast dat voor succesvolle mediation de bereidheid van alle betrokkenen nodig is. Nu daarvan niet is gebleken, lijkt mediation niet haalbaar. De ombudsman rest niets anders dan het dossier te sluiten.

Ondernemingsplan niet opnieuw beoordeeld 18.1.073

Trefwoorden: traject, ondernemingsplan, zelfstandige

Een man wil graag als zelfstandige aan de slag. Hij heeft een ondernemingsplan maar dat is door de afdeling Zelfstandigen in 2017 afgewezen. Omdat hij echt graag als zelfstandige wil werken, kaart hij in de zomer 2018 zijn ondernemingsplan aan bij een consulent van de sociale dienst die hem in het kader van het ‘Bijstand op maat’ project extra begeleidt. Zij verwijst hem naar de afdeling Zelfstandigen om het plan opnieuw te laten beoordelen. Vol verwachting wendt de man zich tot de afdeling maar die meldt hem direct dat het plan niet opnieuw getoetst zal worden. De man voelt zich van het kastje naar de muur gestuurd en komt bij de ombudsman.
De ombudsman stelt vast dat de man tegen de afwijzing in 2017 een bezwaar- en beroepsprocedure heeft doorlopen. In beide procedures is hij in het ongelijk gesteld. Verder is de man eind 2017 bij het project ‘Bijstand op maat’ gekomen. In dat kader zocht zijn consulent destijds contact met de afdeling Zelfstandigen. Omdat er geen sprake was van gewijzigd ondernemingsplan, wilde de afdeling het plan niet opnieuw beoordelen. Dat heeft de consulent de man begin 2018 verteld. Dat de afdeling later in het jaar bij deze afwijzing zou blijven, zou voor de man dan ook geen verrassing moeten zijn. Ondanks de gestelde verwijzing van de bewuste consulent. Die overigens uitdrukkelijk ontkent dat zij de man naar de afdeling Zelfstandigen heeft verwezen. Daar was namelijk geen enkele aanleiding voor. Nu de ombudsman geen enkele aanwijzing vindt van het tegendeel, is de klacht van de man ongegrond.

Super ingewikkeld! 18.1.077

Trefwoorden: informatieverstrekking, uitkeringsspecificatie, inkomstenverrekening

Een uitkeringsgerechtigde vindt in december 2017 een baan voor 24 uur per week. Hij verdient daarmee echter onvoldoende om uit de uitkering te kunnen. In de loop van het jaar wendt de man zich tot de ombudsman met de volgende klachten. Hij is het niet eens met de door de gemeente gehanteerde methode van verrekening van inkomsten. Verder kloppen de berekening van zijn aanvullende uitkering en het volgens de sociale dienst teveel ontvangen bedrag aan uitkering niet. Hij is er verschillende keren achteraan geweest en kwam niet verder dan dat hij maar bezwaar moest maken. Dat heeft hij ook gedaan, maar daarover heeft hij nog geen bericht. Aan de balie van de sociale dienst kunnen ze hem ook niet verder helpen.
Uit het onderzoek van de ombudsman komen 2 oorzaken naar voren die zorgen voor herberekeningen. De eerste is dat de inkomsten moeten worden toegerekend aan de maand waarin ze zijn verdiend. En niet aan de maand waarin ze worden ontvangen. In dit geval ontvangt de man zijn loon in de volgende periode van 4 weken. En het 2e probleem is dat het loon van de man over 4 weken wordt uitbetaald, terwijl de sociale dienst de inkomsten naar een maand omrekent om zodoende te kunnen zien of de inkomsten boven of onder de maandnorm (€ 992,12) uitkomen. Omdat de sociale dienst op moment van berekening nog niet weet hoeveel inkomen de man over die maand krijgt, werkt die met een geschat inkomen. De sociale dienst doet dit om te voorkomen dat er grote vorderingen ontstaan en dat is naar het oordeel van de ombudsman netjes.
Verder stelt de ombudsman vast dat de uitkeringsspecificaties van de man niet te volgen zijn. Er worden allerlei inkomsten van verschillende maanden ingehouden, verschillende betalingen over dezelfde maand aan de sociale dienst gedaan en er is sprake van nabetalingen over verschillende maanden. Uit de specificatie wordt echter niet duidelijk waarom en hoe de sociale dienst aan deze bedragen is gekomen.
De sociale dienst erkent dat de uitkeringsspecificaties niet inzichtelijk zijn. Tijdens het klachtenonderzoek heeft de sociale dienst daarop een schriftelijke toelichting gegeven. Op basis hiervan is de ombudsman het proces van verrekening van inkomsten nagegaan. Het blijft erg ingewikkeld maar uiteindelijk is deze te volgen. Dat er zoveel moeite moet worden gedaan om het noodzakelijke inzicht te krijgen, is naar het oordeel van de ombudsman geen behoorlijke informatievoorziening. Zolang de uitkeringsspecificaties niet zijn verbeterd, zal de man op een andere wijze inzicht moeten krijgen in de berekening van zijn uitkering. De ombudsman doet de gemeente de aanbeveling om de man per kwartaal een inzichtelijke berekening van zijn uitkering te geven. De man begrijpt niet dat hij geen aanvullende uitkering meer ontvangt. Als de ombudsman kijkt naar de hoogte van zijn inkomsten in de onderzochte periode, zijn die, ook als ze zijn omgerekend, lager dan de bijstandsnorm. De man heeft dus recht op een aanvullende uitkering. Dat er door de sociale dienst niets is overgemaakt, betekent echter niet dat hij geen aanvullende uitkering heeft gekregen. De aanvullende uitkering waar de man recht op heeft, is gebruikt om de uitkering die de man te veel heeft ontvangen terug te betalen. Vandaar dat hij niets op zijn rekening kreeg. Voor zijn gevoel heeft de man niet te veel uitkering ontvangen. Dat gevoel is voorstelbaar, maar gezien alle berekeningen heeft de man wel te veel uitkering ontvangen. Daar kan hij echter niets aan doen. Hij heeft geen fout gemaakt, maar dat heeft de sociale dienst op dat punt ook niet.

Gevolgen latere vaststelling inkomen 18.1.088

Trefwoorden: zelfstandige, uitkering, terugvordering

Een man heeft in 2016 een uitkering voor zelfstandigen (Bbz) ontvangen omdat hij een bedrijf heeft. Deze uitkering krijgt hij als lening. In 2016 blijken de inkomsten uit bedrijf € 3.417,- te zijn geweest. Begin maart 2018 krijgt de man bericht van de sociale dienst dat een groot deel van de lening 2016 wordt kwijtgescholden. Hij moet € 2.733,60 terugbetalen. Daarnaast moet hij € 2.138,- aan huur- en zorgtoeslag terugbetalen aan de Belastingdienst. Dat betekent dat de man meer (€ 4.871,60) moet terugbetalen dan hij heeft verdiend. Dat kan volgens hem niet kloppen. Zo ondervindt hij nadeel van het feit dat hij heeft geprobeerd uit de bijstand te komen. Hij heeft van zijn boekhouder gehoord dat de Nationale ombudsman hier iets over heeft gezegd. Als de ombudsman de meegebrachte stukken bestudeert, ziet zij dat het ministerie van Financiën met ingang van 2017 voor nieuwe gevallen een regeling heeft getroffen.
De oplossing houdt in dat op het moment dat de leenbijstand wordt omgezet in bijstand om niet (een gift) de kwijtschelding als eindbestanddeel wordt aangemerkt. Dit houdt in dat over het Bbz-inkomen geen belasting wordt geheven bij de Bbz-gerechtigde, maar uitsluitend bij de verstrekker van de bijstand, in casu de gemeente. Daarmee behoort dat inkomen ook niet tot het belastbare inkomen van de Bbz-gerechtigde en dus ook niet meer tot het toetsingsinkomen.
In een brief van de staatssecretaris van Financiën van 8 juni 2018 leest de ombudsman dat voor bestaande gevallen er een compensatieregeling komt. De ombudsman constateert dat de sociale dienst handelt conform de regeling voor ‘nieuwe’ gevallen die op 1 januari 2017 is ingegaan. Voor zover de ombudsman kan nagaan heeft de omzetting in 2018 van de in 2016 ontvangen leenbijstand geen gevolgen. Toch lijkt er sprake van een terugvordering van in 2016 teveel ontvangen huur- en zorgtoeslag. De ombudsman stelt vast dat de man de terugvorderingsbesluiten met betrekking tot de huur- en zorgtoeslag al in augustus 2017 heeft ontvangen. Dus vóór het besluit van maart 2018. In zijn aangifte Inkomstenbelasting 2016 geeft de man wel op dat hij in 2016 een uitkering heeft genoten. Dat kan de Bbz-uitkering die hij in 2016 heeft genoten niet zijn, want die is pas in 2018 definitief vastgesteld. Het kan zijn dat de man in 2015 ook een Bbz-uitkering in de vorm van een lening heeft ontvangen en dat die in 2016 is kwijtgescholden. Nu dit vóór 2017 gebeurde, lijkt er sprake van een ‘bestaand geval’ waar de staatssecretaris het in eerdergenoemde brief over heeft. Omdat er voor die gevallen een compensatieregeling komt, adviseert de ombudsman aan de man om de berichtgeving hierover in de gaten te houden. Ten overvloede merkt de ombudsman nog op dat niet zeker is of de huur- en zorgtoeslag vanwege de inkomsten uit bedrijf worden teruggevorderd. De besluiten van 2017 zeggen daar namelijk niets over.

Bruto of netto? 18.1.089

Trefwoorden: uitkering, informatieverstrekking

Een man heeft klachten over de berekening van zijn IOAW-uitkering die hij ontvangt van de sociale dienst. Na een gesprek met de klachtenfunctionaris van de sociale dienst trekt de man zijn klachten in. Dit is door de sociale dienst per brief bevestigd. Hierop schrijft de man een brief terug, waarop hij geen reactie ontvangt. Daarnaast is de man toch niet tevreden met het antwoord van de sociale dienst.
De man klaagt dat in de berekening van de sociale dienst de bruto-inkomsten worden ingehouden op zijn IOAW-uitkering. Dat moeten volgens hem de netto-inkomsten zijn. De man ziet in de vergoeding van de door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor hem afgedragen ZVW- bijdrage (Zorgverzekeringswet) een bevestiging dat zijn inkomsten netto moeten worden ingehouden. Daarnaast vindt de man dat de sociale dienst geen bepaling kan aanwijzen waarin dit is vastgesteld.
De ombudsman stelt vast dat de sociale dienst uitlegt, en al eerder heeft uitgelegd, hoe de berekening van zijn IOAW-uitkering tot stand is gekomen. Deze berekening is gebaseerd op verschillende wetsartikelen. Er is dus niet één specifieke bepaling. De ombudsman kan zich voorstellen dat de systematiek van de IOAW onder andere hierdoor lastig te doorgronden is.
Verder ziet de ombudsman dat de sociale dienst in zijn reactie uitlegt dat de vergoeding van de ZVW-bijdrage te maken heeft met het ontbreken van een werkgeversbijdrage. Omdat de man hierdoor minder geld te besteden had en hij de netto ingehouden ZVW-bijdrage niet terug kan vragen aan de Belastingdienst, heeft de sociale dienst besloten om hem een vergoeding te geven. Dat staat echter los van de wijze waarop de IOAW-uitkering wordt berekend.
De sociale dienst erkent dat hij niet heeft gereageerd op de brief van de man. De sociale dienst heeft zijn reactie uitgesteld omdat nog niet alle benodigde gegevens er waren. De sociale dienst geeft toe dat hij de man hiervan op de hoogte had moeten stellen en biedt hiervoor excuus aan. Dat is netjes.
Verder reageert de sociale dienst alsnog inhoudelijk op de onbeantwoorde brief van de man. Ook legt de sociale dienst uit dat de man financieel niet is benadeeld.
De ombudsman stelt vast dat de sociale dienst veel aandacht heeft besteed aan zijn uitleg. Hoewel de materie ingewikkeld is, geeft de uitleg voldoende inzicht hoe de IOAW-uitkering is berekend.

Minder uitkering voor meer mensen? 18.1.092

Trefwoorden: woningdeler, wachttijd

Een vader vertelt de ombudsman dat zijn zoon tot 1 mei een uitkering had van de sociale dienst. Vanwege zijn onduidelijke woonsituatie is de uitkering stopgezet. Omdat hij daarna de huur niet meer kon betalen, raakte de zoon dakloos. Vader heeft hem noodgedwongen in huis genomen. Sinds 1 augustus woont zijn zoon bij hem en heeft zich ook op zijn vaders adres ingeschreven. Zijn zoon heeft vervolgens een uitkering aangevraagd. Van de sociale dienst heeft de zoon te horen gekregen dat zijn aanvraag pas na een maand in behandeling wordt genomen, omdat hij jonger is dan 27 jaar. Vader vindt deze wachttijd vreemd, aangezien zijn zoon al een uitkering heeft gehad en de sociale dienst weet dat hij gebrek aan arbeidsvermogen heeft. Het gevolg van de melding van zijn zoon is dat vader door de sociale dienst per 1 augustus als woningdeler wordt gezien. Hij zal worden gekort op zijn uitkering, terwijl zijn zoon nog geen uitkering ontvangt.  De man wil graag de volledige uitkering ontvangen, in ieder geval totdat zijn zoon een uitkering toegekend krijgt.
Tijdens het onderzoek van de ombudsman ontvangen zowel vader als zoon een besluit van de sociale dienst. Deze besluiten houden in dat ze beide, met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus de woningdelersnorm ontvangen. De ombudsman constateert dat het wel even heeft geduurd voordat de zoon de uitkering met terugwerkende kracht kreeg toegekend. Maar de behandeling van bijstandsaanvragen heeft tijd nodig en de sociale dienst heeft binnen de wettelijke termijn gehandeld. Ook de wijziging van vaders uitkering heeft even geduurd. Daardoor hebben vader en zoon in augustus nog wel van vaders volledige uitkering kunnen leven. Nu moet de vader weliswaar een deel van die uitkering terugbetalen. Maar omdat zijn zoon alsnog over augustus een uitkering voor een woningdeler kreeg toegekend, kan hij daar een bijdrage aan leveren.

Afhandelingstermijn aanvraag ver overschreden 18.1.104

Trefwoorden: bijzondere bijstand, reactietermijn

Een vrouw heeft eind 2017/begin 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor stook- en dieetkosten en vervanging garderobe. In het kader van deze aanvraag heeft ze in juni 2018 ook met een arts van de gemeente gesproken. Sindsdien hoort ze niets meer. Als de vrouw in oktober 2018 contact opneemt met de sociale dienst krijgt ze te horen dat het nog bij de arts ligt. Volgens een medewerker kan het onderzoek nog wel een jaar duren. Dat vindt de vrouw wel erg lang. Ze kan nu haar dieet niet volgen, omdat ze daar geen geld voor heeft.
De ombudsman legt de klacht voor aan de sociale dienst. De sociale dienst erkent ernstig te kort te zijn geschoten in zijn dienstverlening. Het attest is niet op tijd naar de gemeente-arts gestuurd en vervolgens is de retourzending niet in de gaten gehouden. De sociale dienst biedt hiervoor excuses aan en stuurt de vrouw per omgaande een besluit.
De klachtenfunctionaris van de gemeente heeft het probleem van de late retourzending onder de aandacht gebracht van de leidinggevenden. Omdat de ombudsman het belangrijk vindt dat ook de directeur hiervan op de hoogte is, stuurt zij hem een kopie van haar afhandelingsbrief. Zij blijft de ontwikkelingen in de gaten houden.

Uitkering ter overbrugging 18.1.107

Trefwoorden: behandeltermijn, voortvarendheid

Nadat zijn ww-uitkering is afgelopen, vraagt een man bijstandsuitkering ter overbrugging aan. Hij heeft namelijk weer een baan gevonden, maar deze start niet meteen. Van de sociale dienst krijgt hij te horen dat de behandeling van zijn aanvraag niet lang zal duren. Als hij na 2 maanden nog niets heeft gehoord, stuurt hij een herinneringsmail. Maar ook hier hoort hij niets op.
De ombudsman neemt contact op met de sociale dienst. Die vertelt dat de man inmiddels een voorschot heeft ontvangen. Ook heeft de sociale dienst hem intussen een besluit gestuurd waarin staat dat hij een uitkering krijgt. De ombudsman vindt dat de sociale dienst niet op tijd heeft gereageerd door pas na 2½ maand een besluit te nemen.

Uitkering valt tussen wal en schip 18.1.129 Inkomen

Trefwoorden: uitkering, postadres

Een man vertelt tijdens het spreekuur dat zijn uitkering met ingang van 10 juli 2018 is stopgezet. De man heeft tot juni 2018 in een hostel heeft gewoond. Toen hij hier moest vertrekken is hij, in overleg met het dak- en thuislozenteam van de sociale dienst, op zijn boot gaan wonen. Deze boot lag op dat moment buiten de stad Groningen, in een andere gemeente. Zijn uitkering van de gemeente Groningen kon de man behouden als zijn boot met ingang van september 2018 in Groningen zou liggen. De periode dat hij niet in de stad woont, kan de man overbruggen door het hebben van een postadres bij het Open Hof te Groningen. Om dit postadres te behouden, moet hij elke week de post ophalen. De man heeft dit niet gedaan, waardoor hij is uitgeschreven op het postadres. Nu de man geen postadres in Groningen meer had, is zijn uitkering stopgezet. De man zit al 5 maanden zonder uitkering en woont op zijn boot, die inmiddels in Groningen ligt. Door het dak- en thuislozenteam is hem vertelt dat hij zijn uitkering opnieuw kan aanvragen als hij in de nachtopvang gaat wonen. De man wil zo snel mogelijk weer een uitkering ontvangen én op zijn boot blijven wonen. Hij weet niet hoe hij dit moet regelen.

De ombudsman heeft contact gezocht met de sociale dienst. Deze laat weten dat de uitkering van de man is stopgezet omdat de man geen postadres in Groningen meer had. Het besluit hierover is door de gemeente naar het laatst bekende postadres van de man bij het Open Hof gestuurd. Dit is conform de regels. De man heeft 6 weken de tijd gehad om tegen dit besluit bezwaar te maken. Dit heeft hij niet gedaan. De man kan nu (alleen) opnieuw een uitkering aanvragen. Het aanvraagformulier ligt al voor hem klaar. Tijdens de beoordeling van de aanvraag zal vervolgens de vraag aan orde komen of de man een uitkering kan ontvangen als hij op zijn boot woont. Wordt de aanvraag afgewezen dan kan de man hiertegen bezwaar maken. De man moet nu zelf in actie komen.

Deel deze pagina op